Misvattingen over emigreren, # 3

Vandaag alweer ‘Misvattingen over emigreren, de serie’, en wel deel 3, tevens slot. (Tja, zó veel misvattingen zijn er nou ook weer niet.)

‘Vertrekken naar het buitenland kan uitlopen op een mislukking.’

Voor mij ligt het boekje ‘Ik mis alleen de HEMA’, wat ik per post voor mijn verjaardag heb gekregen. Ik heb er nogal mijn best voor moeten doen, eigenlijk. Eerst een paar weken wachten, vanwege aswolk of andere dwaalsporen, en daarna in chronologische volgorde:
- een kaartje in de bus krijgen waarop van alles stond over een pakketje, grotendeels in het Grieks, maar niet het adres van het postkantoor
- geen tijd hebben om te gaan, wegens voornamelijk niet op Cyprus, maar rondbanjerend in Bristol, Amsterdam en New York (ja, het leven is een tranendal).
- het kaartje weer kwijtraken
- een herinnering krijgen na drie weken
- een zaterdag zinloos rondlopen op zoek naar het postkantoor
- tot de ontdekking komen dat het postkantoor op zaterdagen niet open is
- een maandagmorgen idioot vroeg opstaan, naar het postkantoor lopen, terug naar huis om pakketjes op de bank te smijten, ontbijten, naar het werk.

Over het algemeen hebben ambtenaren in Cyprus het niet zo op werken. Het zijn eigenlijk net Grieken. Om twee uur ’s middags houden ze het wel voor gezien. Daar staat dan wel tegenover dat ze ’s morgens om half acht al beginnen. Half acht. Mocht je dus zelf elke dag werken van negen tot vijf, dan rest je dus niets anders dan extra vroeg opstaan om naar de bank, het postkantoor of het electriciteitsbedrijf te gaan. Ik vind het wel wat hebben. Lekker doen alsof je in een dorp woont.

Maar goed, sinds deze expeditie ben ik dus in het bezit van een boekje over geëmigreerde Nederlanders. Het boek zelf vindt het woord ‘emigreren’ eigenlijk niet van toepassing op de moderne landverhuizer. Men spreekt liever van een transmigrant. Niet zo iemand die in de jaren ‘50, aangemoedigd door de regering, naar Canada of Zuid-Afrika vertrok en huilend op de kade in Rotterdam afscheid nam van de familie, om later alleen af en toe nog cassettepost te sturen. Nee, de moderne emigrant is… nou ja, modern.

Een transmigrant. Dat ben ik dus. Ik vind het klinken alsof ik in een verkeerd lichaam ben geboren en nu omgebouwd wil worden tot Cyprioot, maar je moet het juist heel positief zien. Ik citeer: “De transmigrant vestigt zich in een ander land, maar voelt zich in verschillende landen thuis en houdt altijd de optie open dat hij terug kan. Hij of zij heeft een sociale binding met een internationale gemeenschap.” Zo, klinkt dat kosmopolitisch of niet?

En zo is het maar net. Het is natuurlijk heel goed mogelijk dat het hier helemaal niks wordt met mij. Met de staart tussen de benen binnen een half jaar terug naar Nederland, nog maanden werkeloos en blut, uiteindelijk dan maar een baantje aangenomen als telefonisch enqueteur bij het NIPO, en regelmatig wakker schieten van de kakkerlakken in mijn dromen. (De kakkerlakken schijnen hier soms zo groot te zijn, dat je, ik citeer een volbloed Cypriotische, “de uitdrukking op hun gezichten kunt zien”. En bedankt. Een beeld dat mijn leven compleet maakt.)

Dan ben ik een baan kwijt en moet ik op zoek naar een andere. Dat moet je ook als je nieuwe leven als accountant bij de gemeente Heerhugowaard niet helemaal zo uitpakt als je had gehoopt, alleen zijn je verhalen op verjaardagen dan een stuk saaier.

Ik had natuurlijk ook tot in lengte van jaren kunnen blijven zitten in mijn baan bij de UvA, maar het risico zat erin dat ik dan zou eindigen zoals in die reclame van die vacaturewebsite waar mensen door een reddingsteam via het systeemplafond gered worden van totale hersenverweking. Dát zou pas een mislukking zijn geweest.

Er waren trouwens ook collega’s bij de UvA die al twintig, dertig jaar tot volle tevredenheid op dezelfde plek zaten, en wie houdt ze tegen. Ik zal niemand de stad uitjagen om Het Avontuur op te zoeken als ie daar helemaal geen zin in heeft, alleen maar omdat dat moet van Floortje Dessing.

Zo. Genoeg gepreekt. Naast diepzinnig uit het raam staren en filosoferen over de kruispunten in het leven van de mens, heb ik vandaag geknutseld met Wordpress, en dat resulteerde in de leuke buttontjes hieronder. Geinig hè. Kun je op klikken. Ik heb zelfs in de code zitten hacken, en dat ging zomaar goed. Ik ga ze zo maar eens proberen.

Volgende keer maar eens iets spannends, over hulpkonvooien naar Israël, VN bufferzones en ander internationaal-politieke ellende.

1 Comment

Klusjesman

Ik heb een prachtig huis, maar er valt nogal eens iets uit elkaar. Dat geeft niks, de momenten dat er iemand langs moet komen om iets te repareren, zijn belevenissen op zichzelf.

Woensdagavond liet ik de electricien binnen, die mijn meterkast kwam repareren. Steeds als ik mijn airco (die langzamerhand een eerste levensbehoefte wordt nu het heter wordt) aanzette, sloeg al na een half uur de stop door. Niet handig. De electricien was een ontzettend vriendelijke man van een jaar of 50, 60, die steeds zei dat hij geen Engels kon, en ondertussen mij tijdens het vervangen van de stop de oren van het hoofd kletste, in gebrekkig maar prima te volgen Engels. Dit is trouwens een gesprek dat ik in een paar varianten al eens gevoerd heb met de man die mijn koelkast kwam repareren, de man die de wastafel in de badkamer weer vastschroefde, en de man uit Bangladesh die het element uit de heetwaterketel kwam vervangen. Zoals ik al zei: er moet nogal eens iets gebeuren.

- [Schroef schroef, zweet zweet] Woon je hier alleen?
- [IJskoffie makend] Ja.
- [Verbazing] Maar waarom?
- Nou, gewoon…
- Geen man?
- Nee, geen man.
- Maar hoe komt dat dan?
- [Nu zelf verbaasd] Eh… Tja, ik vind het eigenlijk wel lekker in mijn eentje…
- Nee, dat kan niet.
- Dat kan niet?
- Nee, dat kan toch niet… Waar wonen je ouders?
- In Nederland.
- Ach nee toch. Waarom ben je hier? Een mens heeft familie nodig.
- Nou, dat valt best mee hoor. Ik heb vrienden!
- Vrienden is iets anders. Wat als je straks in de badkamer uitglijdt en je hoofd stoot. Bewusteloos. Wie komt je dan redden?
- Haha! Nou, dat weet ik niet, maar ze komen vast wel kijken na een tijdje.
- OK, je hebt een gebroken been. Komen je vrienden je echt elke dag helpen? Eten brengen?
- Ik hoop het wel, ja.
- Het kan gewoon niet. Hoe oud ben je?
- Drieëndertig.
- Dan moet je opschieten! Straks ben je te oud… je weet wel.
- O, dat geeft niks, ik wil geen kinderen.
[De electricien is nu opgehouden met schroeven.]
- Geen kinderen?
- Geen kinderen.
- Dat meen je niet.
- Jawel. Ik hou niet van kinderen.
- Maar een gezin, iedereen wil toch een gezin!
- Brrr, ik moet er niet aan denken.
- Ach, er is niets mooiers dan kinderen krijgen. Dan weet je pas wat je doel is in dit leven…

En dit is het moment waarop je weet dat het werk nu zeker een uurtje langer gaat duren dan voorzien, want het startsein is gegeven voor het favoriete gespreksonderwerp van elke Cyprioot: een lofzang op het gezinsleven. Gek genoeg bevat deze lofzang bedriegelijk veel geklaag, maar dat is allemaal goedbedoeld. Na de uiteenzetting hoeveel kinderen er zijn, hoe oud ze zijn en of ze nog thuis wonen (wat altijd een nuttige toevoeging is, want ook van kinderen van achterin de twintig moet je niet zomaar aannemen dat ze het huis uit zijn) komt dan het feit dat de schatten dan wel schatten zijn, maar niet voor zichzelf kunnen zorgen. Ze willen alles – een eigen auto, elke dag het eten op tafel, een nieuwe telefoon, een appartement voor zichzelf zodat ze hun verkering ongestoord kunnen ontvangen – maar ze kunnen niets.

De electricien begon nu een lang toneelstuk over een recent gesprek met zijn zoon van 26. De zoon wilde het huis uit, een eigen appartement. De man vroeg hem een sinaasappel te pellen. ‘Hier, een mes en een sinaasappel. Schillen!’ In mijn huis deed de electricien met een citroen van mijn fruitschaal en zijn schroevendraaier als denkbeeldig mes, een mooie pantomime van een jongen die geen idee heeft hoe hij deze taak moet gaan volbrengen en steeds nijdiger wordt. ‘Hij heeft universiteit!’ riep de electricien tussendoor. ‘Hij kan nog geen sinaasappel schillen!’

Merk op dat de kwestie niet zozeer was of hijzelf, met zijn vrouw, zijn zoon misschien wat zelfstandiger op had moeten voeden. De kwestie was: die jongen wil alleen gaan wonen. Alleen! Volslagen waanzin: hij heeft een vrouw nodig!

Gelukkig had de man geen zoon van mijn leeftijd, anders had hij zijn zoon misschien wel in de aanbieding gedaan. Dat was gebeurd met de – trouwens ontzettend aardige en kundige – islamitische klusjesman uit Bangladesh, 31 jaar oud, die vertelde dat hij zonder vrouw niet meer bij zijn ouders kon aankomen in zijn thuisland, en dat hij daarom nu al drie jaar niet meer terug was geweest. Eerst zei hij dat in de variant van bovenstaande dialoog, maar die nam een andere wending toen hij een koran in mijn kast zag staan. Naast de bijbel weliswaar, maar ach, aan iedereen schort wel wat.

Mijn nieuwste aanbidder

Mijn nieuwste aanbidder

Vraag me niet waarom ik hier aan het aarden ben, maar ik ben hier aan het aarden. Voor mensen die hier geen familie hebben, kan de omgeving opvallend gul zijn. Onze secretaresse heeft besloten dat ze aan haar eigen kinderen niet genoeg heeft, en daarom komt ze me elke week wel de folder van een bezorgdienst van fastfood brengen. De Cypriotische variant van ‘Eet je wel goed, kind?’. Ze vraagt me ook elke dag na het werk of ik mee wil rijden, zodat ik die vijf minuten niet naar huis hoef te lopen, en omdat ik lui ben en het heet is en ik het gezellig vind, doe ik dat ook nog vaak, met als gevolg dat als ik vraag: ‘Ga je zaterdag mee winkelen?’, ze de vraag opvat als: ‘Kun je me naar het winkelcentrum rijden?’

De secretaresse houdt trouwens dezelfde lofzang op haar kinderen als de electricien. Ze moppert dat ze overal bij moet zijn, haar kinderen overal heen moet rijden, en dat ze geen tijd voor zichzelf heeft, maar ondertussen grijpt ze elke gelegenheid aan om de situatie nog erger te maken. Elke ochtend staat ze vroeg op, zodat ze de schooluniformen van haar kinderen kan strijken en hun warme lunch kan klaarmaken. De kinderen hebben nu vakantie, wat het nog drukker maakt. Als ze om twaalf uur ergens moeten zijn, dan belt moeders hen wakker vanaf het werk. Vergeet ze dat, dan worden ze boos. Een van haar kinderen gaat in september in Engeland studeren, en daarom heeft onze secretaresse het heel druk met het regelen van een bankrekening, een telefoonabonnement met het mobieltje van haar dochters keuze, een kamer in een goed studentenhuis, en als dochter vertrekt, gaat ze mee om de eerste boodschappen te doen. Hoe het in godsnaam moet met het kind als ze in het buitenland zonder mama zit, vertelt het verhaal niet. Elke dag als ik met haar meerij, ratelt ze af wat ze allemaal nog moet doen die avond. Soms denk ik weleens dat ze me vooral mee vraagt zodat ze iemand heeft om haar schema te overhoren, en af en toe zeg ik dan ook dingen als: ‘En hoe is het met het nieuwe paspoort van je zoon?’ Maar verder ben ik vooral bezig met mijn verbazing over hoe ze het volhoudt. Als kinderen opvoeden in Cyprus zo gaat, waarom wil iedereen dan zo graag?

Een Cyprioot houdt van zijn kinderen als geen ander, en ik moet toegeven dat ik na mijn eerste happen naar lucht van verbazing, inmiddels begrijp dat dit ook een systeem is, net als het onze. Moeder kookt, ook als de kinderen allang volwassen zijn. Eten moet een mens toch, liefst met z’n allen en de meeste mensen wonen dichtbij hun ouders. Bovendien kost het Cypriotische avondmaal de hele dag om klaar te maken. Er zijn moeders van volwassen getrouwde kinderen die de sleutel van hun huis hebben, niet voor noodgevallen maar gewoon, zodat ze altijd binnen kan komen om het huis schoon te maken, een monteur binnen te laten, op de kinderen te passen, én te spioneren natuurlijk.

Kortom, een ouder zorgt in dit land voor zijn kinderen tot hij niet meer kan. Dan draaien de rollen zich om en begint de verantwoordelijkheid van de kinderen. Want er zijn twee dingen die op Cyprus niet of nauwelijks bestaan: creches en bejaardenhuizen.

1 Comment

Zon, zee, strand en crisis

Lieve mensen, op dit moment zit ik in Starbucks, me diep te schamen, gehuld in een burka. Nou ja, dat laatste is natuurlijk niet waar, maar ik zou het wel graag willen. Van top tot teen bedekt door een gewaad dat zelfs mijn vuurrode neus aan het zicht onttrekt.

Laat ik u eerst even terug nemen naar afgelopen vrijdagmiddag. Ik zat te lunchen met Charita en Anna, beiden collega’s, en die vertelden de ene anekdote vol roodverbrande Britten na de andere. De kust van Cyprus ligt er vol mee. Alsof ze iets te lang op een barbecue hebben gelegen. Als het mocht, zou de gemiddelde Cyprioot ze het liefst lekker knapperig afbakken en aan de zwerfkatten voeren, die vervelende Engelsen, maar ja, zo slecht voor de toeristische sector. Dus bouwen we nog maar eens een lelijk hotel aan de kust… We kwamen hierop omdat ik zaterdag naar Konnos Beach zou gaan met een Nederlandse collega en zijn vriendin, en voor die gelegenheid had ik in mijn lunchpauze extra heftige zonnecrème voor mijn lieftallige smoeltje aangeschaft. Mijn collega’s, behept met heel wat meer pigment dan ik, vonden factor 40 wel wat overdreven, maar dat zagen ze verkeerd. Vroeger, toen ik nog bij de padvinderij zat, moest ik bij nacht-expedities voorop lopen. Ik gaf namelijk licht in het donker, lekker handig voor de anderen (ik zweer op het graf van… eh, nou ja, hand op mijn hart dat ik het niet verzin). Zo iemand zouden ze eigenlijk bij de grens moeten weigeren, maar ja.

Tijdverschil met Nederland en met Zuid-Afrika is hier een uur, dus om vijf uur en geen seconde later rende ik overhaast het kantoor uit, naar de Ierse pub om de hoek, waar ik verwachtte Nederland naar God gevoetbald te zien worden door Brazilië. Na het eerste doelpunt bleek waar de Brazilianen zaten (in een hoekje, met z’n zevenen), en na het tweede en derde doelpunt bleek waar de Nederlanders zaten (in de rest van de kroeg). Aan de bar zat een man alleen, die na het tweede doelpunt van Nederland door de zaak brulde: “We eat Brazilians for breakfast!!” en daarna kalm zijn biertje opdronk. Zelfs de zeven Brazilianen moesten lachen. Wat een feest, wat een feest. We namen nog een biertje, en we waren gelukkig. En op mijn kantoor lag een eenzame tube zonnebrand voor het gezicht, factor 40.

Zaterdag bleek Konnos Beach er precies zo uit te zien als op de Google fotootjes. Wij namen twee parasols, eentje speciaal voor mij, en de rest van de dag trok ik in een omtrekkende beweging mee met de schaduw van de parasol. Ingesmeerd met factor 20. Wat kan er misgaan? Nou ja, een mens valt wel eens in slaap. Of misschien helpt zo’n dunne witte parasol ook geen ene moer. In ieder geval begon ik tegen drieën nattigheid te voelen, en dan nattigheid van het aangebrande soort. Op dat moment had ik natuurlijk een hapje moeten gaan eten op het terras van de taverna op de rotsen dat zo lekker in de schaduw van een hoop bomen ligt. Maar nee, dom blijven liggen. Het resultaat was meteen na thuiskomst wel duidelijk. Een drama van ouderwets Britse kwaliteit. Ik kan niet wachten tot ik morgen weer aan het werk mag. Gezellig lunchen met Anna en Charita…

Uitzicht vanaf de bar boven Konnos Beach

Uitzicht, toen we uiteindelijk toch maar op dat terras zijn gaan zitten.

Ik kan ook melden dat de eerste crisis inmiddels achter de rug is. Een paar weken geleden besloot ik dat Nicosia een kutstad is. Sterker nog, dat hele Cyprus mochten ze wat mij betreft afzinken. Weer een internationale crisis opgelost. Je mist er niks aan, vond ik. Mag ik even tieren? Komt ie.
De overheerlijke groenten en fruit liggen hier op de markt hoog opgestapeld, en toch lijkt de hele stad dagelijks van de afhaal te eten, want zelf koken, dat doet bijna niemand meer. Elke dag worden de folders van de bezorgdiensten met z’n tienen tegelijk door mijn brievenbus gedouwd.
Ze bouwen de hele stad, wat zeg ik, het hele eiland, vol met betonnen gedrochten, en laten de binnenstad met zijn prachtige historische gebouwen langzaam uit elkaar vallen.
Elke dag komt door het open raam een nieuw laagje stof uit Afrika of Saoedi-Arabië binnen, tenzij je net als de buren je raam stijf dicht houdt en de airco laat loeien. Dat zou sowieso verstandig zijn, want ik word langzaam opgevreten door een of andere steekvlieg die mijn slaapkamer terroriseert maar niet het handige bijbehorende gezoem van een mug produceert.
En nergens een goede slager of visboer te vinden, want de ganse stad haalt de boodschappen bij de enorme supermarkt in het overdekte winkelcentrum. ‘Loopafstand’ is hier trouwens een meter of vijf.
Men heeft in Nicosia zo’n grote haast gehad met de vaart der volkeren mee te moderniseren, dat met het badwater de baby, het vakmanschap en de tradities lijken te zijn verdwenen. Daarbij heeft men met verbazingwekkend scherpe neus alleen de negatieve kanten van die modernisatie weten te importeren. Cyprus is nog steeds racistisch, conservatief en provinciaal. Het vuile werk wordt gedaan door Aziatische immigranten die met de nek worden aangekeken, en die soms simpelweg worden misbruikt als (seks)slaaf.
Een van mijn Cypriotische collega’s heeft me bovendien op het hart gedrukt vooral in de kast te blijven, want anders zou ik het mezelf wel erg moeilijk maken. Waarover later meer.

Met andere woorden: wie wil daar nou wonen? Het antwoord is nog steeds: nou ja, ik dus. Grote Smurf weet waarom, maar ik vermaak me kostelijk. Nou ja, die paar weken geleden dus een paar dagen even niet. Maar dat lag in de lijn der verwachting, en inmiddels is dat crisisje helemaal voorbij. Ik heb een geweldige baan, bij een instituut dat mooie dingen doet (ook daarover later meer). Ik zou elk weekend kunnen gaan duiken als ik zou willen. Ik zou trouwens best willen, maar ik heb nog geen tijd gehad. En Nicosia, eigenlijk zo lelijk als de nacht, begint langzaam haar mooie kanten te onthullen.

Het blijft ook bizar en mooi en pijnlijk tegelijk om in een land te wonen dat verscheurd wordt door een bufferzone die ook de hoofdstad in tweeën heeft gehakt, met aan beide kanten mensen die ooit hebben moeten vluchten, en heen en weer geslingerd worden tussen de hoop dat het eiland ooit weer één wordt, en de verbittering over de misdaden en propaganda van de tegenstander, met wie men toch ooit weer door één deur zal moeten. En ook daarover later meer. Het wordt hoog tijd om eens op huis aan te gaan en wat eten te laten bezorgen!

2 Comments

Stemmen

Lieve lezers, het is allemaal mijn schuld. Als ik niet zo dom, chaotisch en jetlagged was geweest, had de toekomst van het land er heel anders uitgezien. Geen extreemrechtse poederpruik als mogelijke minister, geen jongen die nog bij z’n moeder woont als premier.

Nou, OK, dat laatste is misschien nog te overleven. Van Balkenende vermoed je ook dat hij elke zondag bij z’n moeder gehaktballen gaat eten omdat ‘ie die nog altijd het lekkerst vindt. En als zijn vrouw haar wekelijkse bloemschikuurtje heeft en dus vroeg de deur uit moet, komt er vast iets uit de vriezer wat mama vorige zondag stiekem heeft meegegeven. En aan Balkenende zijn we toch ook niet ten onder gegaan. Nou ja, nauwelijks.

Stemmen per post

Maar goed, die verkiezingen dus. Ik had al weken en weken dat stembiljet in huis. En dan bedoel ik die grote lap met alle namen erop. Dat krijg je als je in het buitenland woont: een envelop met daarin dan weer andere enveloppen, wit en oranje, en kaarten die je moet ondertekenen en die lap met namen dus, waar je een naam met een rood potlood moet aankruisen. Dat hele verhaal gaat dan op de post naar Den Haag.

Tuurlijk. Een rood potlood. Wie heeft hem niet in huis? Dat was al het eerste struikelblok. Daarna kwam er nog het feit dat ik op reis ging, een week voor de verkiezingen. Nou leek mij dat eerst een voordeel, want de reis ging via Amsterdam naar New York, en Amsterdam, dat scheelt een paar postzegels! Fijn. Dat is dan geregeld. Stembiljet in de koffer, klaar.

Daar ging ik, van Larnaca naar Nederland, waar ik onder andere de vrijdagnacht bij een vriendin bleef slapen. Die ging met het ganse gezin de volgende dag vroeg de deur uit, en ik bleef achter met mijn stembiljet. Maaarrrr, wat heeft elk gezin met kinderen in huis? Kleurpotloden! Helaas, ook na het overhoop halen van de kamer van de peuter des huizes dook er geen rood potlood op. Mijn laatste redding bleek een stemlokaal op Schiphol te zijn, waar ik hopelijk mijn stembiljet zou kunnen inleveren op woensdag, precies de dag dat ik moest overstappen onderweg terug naar huis. Goed, dan eerst maar naar mijn einddoel van deze reis: New York.

U hoeft niet jaloers te zijn hoor. Ik wou niet, ik moest. Bijna twee jaar geleden had ik een telefoontje gekregen van een vriendin van me uit New York, die vroeg wat ik verwachtte in juni 2010 te doen te hebben. Het was herfst 2008, dus een helder beeld had ik daar nog niet van, maar ik voelde het vervolg al komen. Ze zou gaan trouwen, en of ik een van de bruidsmeisjes wilde zijn. Ik zat in de trein, dus het was onmogelijk om al te hard in de lach te schieten, maar onder het mom ‘try everything once’ zei ik: leuk, doen we!

Snel daarna bleek er een nog betere vriend te gaan trouwen in Melbourne in april 2010, en toen vormde zich een duivels plannetje in mijn hoofd. Wat moest ik met dat stuwmeer aan vrije dagen? Opmaken! En wel door middel van een reis die begon in Melbourne in april, via Nieuw-Zeeland naar San Francisco, en dan, als klapstuk, met de auto van San Francisco naar New York. Waar ik dan een week voor de bruiloft hoopte te arriveren. Ruim op tijd om de bruidsmeisjesjurk nog te laten vermaken.

Maar een paar maanden voor aanvang bleek dat het antwoord op die vraag wat ik in juni 2010 te doen zou hebben, ineens nogal veranderd was. Wat ik in juni 2010 zou doen, was in een ander werelddeel wonen, met al mijn spaarcentjes op, en nog tien vrije dagen te besteden dat jaar. Bovendien is bruidsmeisje zijn op een trouwerij in Amerika vast ontzettend leuk, maar het kost ook heel veel geld. Je betaalt de foeilelijke jurk (heel veel centjes) zelf, je koopt de schoenen (zilverkleurig op verzoek van de bruid) zelf, als je er een beetje leuk uit wilt zien betaal je ook de make-up dame en de kapster die langs komen om iedereen op te tutten, en dan zijn er nog sieraden. Welke sieraden? Juist, precies. En dan moet je nog ergens slapen, en dat ‘ergens’ bleek in dit geval een luxe hotel naast het vliegveld in Queens voor heel veel geld per nacht.

Dus ik ging, ik geef het met moeite toe, met frisse tegenzin naar New York, denkend aan die week van vakantiedagen waarmee ik naar Libanon had gekund, naar Egypte en naar Istanbul, allemaal om de hoek, en die ik nu opmaakte aan de trip die ik vanuit Nederland met zoveel gemak en zoveel minder geld had kunnen maken. Om mijzelf een beetje uit dit nutteloze chagrijn te halen, had ik een travelguide over New York gekocht, waarmee ik enige voorpret in het vliegtuig hoopte op te wekken.

Voorpret was er nog niet, jetlag wel. De allervreselijkste jetlag die ik ooit heb gehad. Ik vroeg mij af hoe ik dit allemaal tot een goed einde moest gaan brengen, en dat nam alleen maar toe tijdens de dag. Eén ding wil ik u op het hart drukken: mocht u een hekel hebben aan trouwen, word dan nooit bruidsmeisje in Amerika. U gaat namelijk het gevoel hebben dat u zelf de bruid bent. Het idee is namelijk dat u koppels vormt met een van de bruidsjonkers. Die van mij heette (en ik zweer het, ik maak geen grap) Theo. Ze hadden hem bewust met mij gematched, niet alleen vanwege die naam, maar ook omdat hij volgens de bruid ‘net zo gek als jij’ was. Wat dat ook moge betekenen, wij hadden het inderdaad ontzettend gezellig, terwijl we daar stonden te wachten tot we de synagoge in mochten.

Maar toen bleek dat de vier koppels van bruidsjonkers en -meisjes ook twee aan twee, heel gewichtig langzaam lopend met dat gekke loopje, die zaal in moesten, terwijl wij door de ganse kudde blij aangestaard werden. Pas als het eerste koppel hun positie hadden ingenomen bij de chuppah (min of meer het altaar waar de hele ceremonie plaatsvond), kwam het volgende in actie. Ik kon alleen maar denken: ik heb een jetlag, in mijn hoofd is het zeven uur ’s ochtends, ik weet niet eens waar mijn linker grote teen zit als je het me vraagt, ik heb hoge hakken aan en een idiote paarse jurk, hoe kan ik dit ooit tot een goed einde brengen? De rest van de club had de woensdag ervoor een rehearsal dinner gehad, maar ja, toen zat ik nog op een klein eiland in het Midden Oosten een website te onderhouden. Was ik nu maar eerder gekomen, dit wordt niks, bij het zilveren huwelijksfeest hebben ze het er nog over, hoe dat gekke wicht uit Amsterdam de hele ceremonie vernaggelde door de verkeerde kant op te lopen/ in het smaakvolle bloemenarrangement te vallen/ in slaap te sukkelen tijdens het gebed.

Het gelukkige gegeven was echter dat Theo en ik allebei de langsten waren van allemaal, en dus kwamen wij als laatsten. Ik hoefde alleen maar drie keer te kijken hoe de rest het deed en het zaakje af te kijken, en zodoende keek iedereen geheel volgens plan naar de bruid en goddank niemand naar mij. En nee, hoezeer u ook smeekt, desnoods op uw blote knietjes, u krijgt geen foto’s.

De enige keer dat iedereen naar mij keek, was in de ochtend bij de bruid thuis, een kwartier voor de witte stretched limo voor zou komen rijden. Twee bruidsmeisjes en een bruid, stijf van de stress, stonden met een sleep in de hand in paniek mij aan te kijken. ‘Thea, de sleep is eraf gescheurd!’ En daar kwam Superthea, met nonchalant gemak de held uit te hangen met naald en draad. Hoera!

En na de bruiloft? Na de bruiloft kwam alles toch nog goed. Ik had nog twee dagen, en die heb ik niet in dat dure hotel voor de bruiloftsgasten, maar – gaat u even zitten – in een backpackershostel in Manhattan doorgebracht. Dames en heren, oude tijden herleefden. Ik had oordopjes, oogmaskers en een iPod, net als vroeger in Australië. Ik vermaakte me kostelijk. Ik liep twee dagen door Manhattan tot mijn voeten eraf vielen, ik stond heel casual met een take away cappuccino te wachten op de metro alsof het zo hoorde, en ook al had ik het heilige voornemen om alles te kopen wat ik wilde hebben, er bleek niet zo gek veel te zijn wat ik wilde hebben, en dat was maar goed ook, want het weinige wat ik toch kocht, werd bijna mijn ondergang. Landverhuizen is duur, en vliegtickets van Cyprus naar New York ook.

Even pauze en boos kijken naar the root of all evil

De nachtvlucht New York – Amsterdam heb ik slapend doorgebracht (verhaaltje over nooduitgangen gemist, diner gemist, ontbijt gemist, nog net voor de landing een kopje thee uit de handen van de stewardess weten te grissen), en zo kwamen we aan op Schiphol. En wat had ik daar moeten doen? Stemmen! En wat deed ik? Shoppen! Alsnog even snel een horloge gekocht (mijn vorige had ik ergens laten liggen) en god weet waarom, maar ineens leek een leven zonder oplader met zonnecellen mij volkomen onmogelijk. Deze laatste klap voor mijn banksaldo maakte dat ik mijn kopje koffie met mijn creditcard moest afrekenen, maar het leven was weer goed.

Maar ja. Ik had dus niet gestemd. Ik, die in een vorig leven voor elke godvergeten gemeenteraadsverkiezing en zelfs voor elk waterschap nog het grootste onweer trotseerde om mijn burgerplicht te doen! Gewoon vergeten! Thuis in Nicosia aangekomen bleek de volgende dag dat Cohen de race om het premierschap nipt had verloren van Rutte en dat hij nu als laatste strohalm uitkeek naar de stemmen per post uit het buitenland. Ik keek schuldbewust naar mijn schoenen. Gelukkig bleken die stemmen uit het buitenland voornamelijk voor de VVD te zijn, en ik herinnerde mij ineens dat ik helemaal niet van plan was geweest om PvdA te stemmen, maar GroenLinks of D66. Het stemmetje in mijn achterhoofd dat mij herinnerde aan twijfel of er toch niet strategisch gestemd moest worden, hou ik sindsdien stil met veel Jägermeister uit de tax free shop van Schiphol.

Ik vind trouwens nog niet eens zoveel mis met Rutte, maar wel met de mogelijkheid dat die kwaadaardige clown van een Wilders met zijn gesinterklaas over AOW en gezondheidszorg en zijn plattelands-xenofobie ook maar één smerige nagel in het kabinet weet te haken. Ik weet niet of het klopt, maar ik las in de krant dat bijna al zijn stemmers uit Limburg komen. Ik stel het volgende voor: wij, de rest van Nederland, beloven plechtig dat wij braaf al onze moslims zelf houden. In ruil daarvoor eisen wij dat alle PVV-stemmers uit Limburg voortaan de provinciegrenzen niet meer oversteken, zodat wij verder geen last van ze hebben. Op vakantie mag; de andere kant op graag (Torremolinos, Cote d’Azur, overal waar ze gewoon kroketten hebben). Dan mag Wilders lekker Commissaris voor de Koningin worden tot hij oud en seniel is, zijn we daar ook weer vanaf.

2 Comments

Huis (2)

Cheryl: En daar zijn we eindelijk dan weer, dames en heren, met uw favoriete woonprogramma, met natuurlijk de makeover! Ik ben Cheryl, en voor het reclameblok hadden we al gezien dat Ingrid hier een prachtig appartementje heeft, dat alleen nog wat gezelliger moest. Nou jongens, het makeover-team heeft hard gewerkt, en het ziet er ontzettend leuk uit.
Ingrid staat hier naast me, ze is er nog een beetje overdonderd van, hè Ingrid?
Ingrid: Nou, jeetje, wat is het mooi geworden! En dat in één dag! Ik kan het gewoon niet geloven!
C: Lieve schat, je wordt er een beetje emotioneel van, he? Dat hebben we graag in ons programma… Ja, laat dat maar aan ons makeover-team over! En aan de sponsor natuurlijk. Laten we eens een ronde doen, dan kunnen de kijkers ook zien hoe het is geworden.
I: O ja, ja natuurlijk… Ik ben er nog helemaal beduusd van…
C: Geeft niks hoor Ingrid, dat zijn we wel gewend, haha!
Goed, laten we beginnen met de woonkamer. Die werd gedomineerd door twee viezige oude banken. Wat heeft het makeover-team daar van gemaakt?

C: Tjonge, wat een verschil! Geniaal idee van het team: een doek over de banken! En zit het nu een stuk lekkerder, Ingrid?
I: Absoluut. En het staat wat vrolijker, natuurlijk.

C: Zo, dan lopen we even door naar de slaapkamer… O, daar is nog niet zoveel veranderd, zie ik… Nou ja, snel maar weer terug dan. Kijk eens wat een verschil! Er staat nu een boekenkast, daar kan natuurlijk niemand zonder.

C: Maar, lieve kijkers, het beste moet nog komen! Want, Ingrid, je zei al dat je dit appartement vooral hebt gehuurd vanwege het grote terras. En hoe ziet dat er nu uit?

Het terras

C: Oh Ingrid, wat een heerlijk terras heb je ineens! Wat vind je ervan?
I: Ik weet niet wat ik moet zeggen…
C: Geeft niks meid, we zijn alweer aan het eind van deze uitzending. Kijkers, u ziet het, al met al een groot succes. Ingrid staat hier nog wat na te snotteren, de sponsor is weer blij, en we zien u volgende week weer!

Zo, hehe, nu zijn we weer onder elkaar, beste lezers. Cheryl en Ingrid begonnen me wat op de zenuwen te werken. En hoe heeft uw heldin dit nu allemaal in die drie dagen voor elkaar gebokst? Dat is heel simpel: men neme een taxi en een niet al te groot filiaal van IKEA. En niet al te veel tijd, want dat is helemaal niet nodig. Ik was nog maar twee dagen in Nicosia, maar een leeg huis, letterlijk leeg, dat is toch een beetje kamperen. Dus:

Hier is het dinsdagavond 18:00 uur...

...en hier is het dinsdagavond 19:00 uur.

Naast IKEA is ook nog een groot winkelcentrum, waar ik een half uurtje later naar buiten kwam met een magnetron, keukenmachine en staafmixer. Maar dit alles was natuurlijk niet genoeg, dus:

Twee dagen later

Weer een kar vol spullen die staat te wachten op de taxi.

Deze shop-woede was niet alleen bedoeld als make-over, maar ook omdat er helemaal niets was. Heel veel kasten, maar wel allemaal leeg. Stel je voor dat je hele huis leeg is, en dan loop je door de IKEA. Het is best een kick, eigenlijk. Afdeling keukenspullen: doe alles maar, eigenlijk. Zes van dit, zes van dat, vijf pannen, o ja, theedoeken, en gut, nu we toch bezig zijn, neem ik ook maar gewoon vier schemerlampen en drie van die handige krukjes die ook meteen bijzettafel en nachtkastje kunnen zijn. Kleerhangers, doe maar twintig, en dan ook nog een wasmand en badmat. Laten we ook de doeken om die foeilelijke banken te verbergen niet vergeten, plus dekbedden, dekbedhoezen, lakens en kussens. Voor twee bedden, want de ganse familie komt over drie dagen langs. Waar slaap ik zelf eigenlijk? Op de bank, dus doe nog maar een set van die lakens. Pleeborstel! Onderschat begrip. Planten? Passen niet meer in de kar en vast ook niet in de taxi.

Eigenlijk had ik ook een foto moeten maken van hoe mijn huis er na die twee IKEA-tripjes uitzag. Het rook naar karton en plastic, overal die handleidingen met dat plaatje van een mannetje aan de telefoon. De meubels die er bij aankomst al gestaan hadden, waren nauwelijks te zien. Na een zaterdag uitpakken en opbergen kon ik geen IKEA-barcodesticker meer zien. En toch was het nog niet genoeg. Een derde trip was al onvermijdelijk. Maar die kon wachten, want ik kreeg bezoek.

En zo stond, vijf dagen na mijn emigratie, de voltallige familie op de stoep. Dat klinkt erger dan het is, sterker nog, het had heel veel voordelen. Omdat ze zo snel na mijn verhuizing langskwamen (verjaardag, vandaar), heb ik alle spullen die ik mee zou nemen, over vier koffers verdeeld. Een nam ik mee, drie andere gingen mee met mijn familie, en toen er ook nog wat ruimte in de handbagage over bleek te zijn, daar dan ook nog maar mijn cd-collectie in. Plus nog wat spullen waarvan ik niet gedacht had dat ze mee zouden kunnen. Naar verluid heeft het volgende dialoogje zich afgespeeld op Schiphol.
Beveiliger bij handbagagescanner: ‘Meneer, wilt u deze tas even openmaken?’
Broer: ‘Tuurlijk.’
Beveiliger: ‘Wat is dit?’
Broer: ‘Een keukenmachine.’
Beveiliger zwijgt. Broer zwijgt. Tas weer dicht.
En zo gingen 80 kilo aan ingecheckte bagage en heel wat kilootjes aan handbagage mee in het vliegtuig naar Cyprus. Op het vliegveld werd een auto gehuurd, en godzijdank ook een TomTom. Bij aankomst dartelde ik blij naar buiten om mijn spulletjes welkom te heten, en natuurlijk ook hun begeleiders… Het paste allemaal net in de achterbak.

De achterbak

Of eigenlijk niet helemaal.

De achterbank

Ik ben de koeriers dankbaar dat ze zich nog naast de koffers hebben geperst. Dit alles werd dus met vereende krachten mijn huis binnengerold, en schoonzus, die haar roeping als makeover team bij woonprogramma’s heeft gemist, ging als wervelwindje aan de slag.

Ook in de loop van hun midweekje bleek dit team heel nuttig. Elke avond na thuiskomst was er weer iets gerepareerd, de vloer gedweild, de afwas verdwenen, en het eten klaar. Ik voelde me een eenverdiener met thuis een leuk dienstig vrouwtje, maar dan bestaande uit vier man. Alleen wel wat jammer dat dit vrouwtje de hele tijd van die irritant vakantie-achtige foto’s liet zien van de dagbesteding, terwijl vader hard werkte om de kost te verdienen…

En zo werd mijn appartement effectief gehousewarmt. De muren zijn nog kaal en die eettafel wordt natuurlijk niet minder lelijk als je er een theepotje op zet, maar ik zit hier helemaal gesettled. Mocht u ooit denken: wat zou Thea nu aan het doen zijn, dan is de kans groot dat ik op mijn prachtige terras zit, of lig. Vandaag nog, toen het om half twaalf in de ochtend al 31 graden was, heb ik er maar even een dutje gedaan. Mochten er ooit nog eens vier mensen op bezoek komen, dan weet ik het goed gemaakt: ik slaap wel buiten!

0 Comments