Blogmarathon (5): babynamen

Dit is aflevering 5 van de blogmarathon voor het Rode Kruis. Ook meedoen? Doneer minstens 10 euro en kies het onderwerp van een blogpost. Alles mag, als het maar geld oplevert. Lees meer in de introductie over hoe het werkt. De stand: 135 euro! We gaan goed, maar er kan nog meer bij. Om de boel nog wat aantrekkelijker te maken: als we de 200 halen voor het Rode Kruis, doneer ik zelf ook 200 euro aan Amnesty International, aan het eind van deze actie. Voor de langetermijnoplossing, zal ik maar zeggen.

Ik loop natuurlijk idioot ernstig achter met deze actie. Na dit stukje staan er nog twee in de wacht, en die ga ik de komende weken doen. Daarna ga ik nog even doorzeuren of er nog mensen zijn die ons aan de 200 euro willen helpen, en dan breien we er een eind aan. Dus mocht u nog willen bijdragen, haast u!

Naam: Mw S J Rooseboom
Omschrijving: Voor het Rode Kruis. Blogonderwerp: Thea. De naam. Is het wat? Ik zoek een babynaam, raad je Thea aan?
Datum: 25 september 2014

Dit is wat er ineens in september op het rekeningnummer van de blogmarathon stond. Wat een verrassing. En wat een verantwoordelijkheid! Mijn advies gevraagd over een kwestie die zo’n kind nog jaren kan achtervolgen!

Dit is natuurlijk allemaal mosterd na de maaltijd, want deze donatie kwam in september, en zes weken later is het kind vrolijk en wel (nou ja, brullend en in de war, neem ik aan) ter wereld gekomen. En mama heeft het meisje gelukkig gewoon haar naam gegeven.
Maar omdat een belofte nou eenmaal een belofte is en ik had beloofd een blog te schrijven over elk onderwerp dat geld oplevert, en om eventuele andere twijfelaars ter zijde te staan, wil ik hierbij een bindend stemadvies uitbrengen.
Doe het niet.

Ik zal de clue vast weggeven: ze heeft het ook niet gedaan. Zelfs als ik haar niet gekend had, had ik dat zeker geweten, want je kunt opzoeken hoeveel baby’s in 2014 de naam ‘Thea’ hebben gekregen. Ik heb een screenshot gemaakt van de uitslag.

Van alle baby’s die in 2014 zijn geboren, heet er niet een Thea. Dus ook die van Sanne niet. Gelukkig maar.
Sowieso is de kwestie ‘hoe noem ik mijn kind’ een drama natuurlijk. Het kan alleen maar fout gaan. Je hoort nooit mensen zeggen: “O wat heb ik toch een voornaam die mij vooruitgeholpen heeft in het leven!” (Achternamen zijn een ander verhaal natuurlijk…) Nee, het is altijd geklaag. Is hij doorsnee, dan vinden mensen het saai. Is hij bijzonder, dan schrijft iedereen het verkeerd en moet je het steeds weer spellen, aan de telefoon met de belastingdienst. Blijken je ouders meegegaan te zijn in een hype en je Sterre of Wolf te hebben genoemd, dan staat het stereotype al klaar, nog voor je op je sollicitatiegesprek bent gearriveerd: verwend nest met vrije school-opvoeding, die nemen we natuurlijk niet aan.

En dan is er natuurlijk nog het schrikbeeld dat er, nadat je kind ter wereld is gekomen, een wereldster met dezelfde naam opstaat die kutmuziek maakt en met wie je kind vervolgens op het schoolplein achtervolgd wordt, misschien zelfs wel letterlijk. Je zal maar toevallig Beyoncé heten en dus al op je elfde trots moeten zijn op je status van ‘single lady’ (het arme kind bestaat echt, kijk maar). Over Theo & Thea hoef ik het hopelijk niet te hebben. Dat doe ik namelijk liever niet. Vorig jaar zat ik in dezelfde treincoupé als Arjan Ederveen. Ik fantaseerde de hele weg van Rotterdam naar Amsterdam over hoe het zou zijn als ik me zou voorstellen. “Hallo Arjan, ik ben Thea.” (Wat trouwens extra vreemd zou zijn omdat mijn broer Arjan heet, maar dat terzijde.) Ik stelde me voor dat een scala aan emoties over zijn gezicht zou trekken, om te eindigen in schuldgevoel. En terecht.

Ik zou dus geen oog meer dicht doen als zwangere, terwijl dat ongeboren kind maar groter en groter groeide en elke dag harder tegen mijn ingewanden aanschopte. Sommige mensen vinden dat geschop leuk. Ik persoonlijk denk dat het niet zo schattig bedoeld is. Ik denk dat zo’n kind daarmee alleen maar wil aangeven: “Schiet je een beetje op? Ik ben bijna af!” Geen wonder dat de donateur van dit stukje er geld voor over had om de verantwoordelijkheid uit te besteden. (Vrij veel geld zelfs, waarvoor veel dank!)

Gelukkig was de vraag niet: “Hoe noem ik mijn kind?” maar “Zal ik haar Thea noemen?” Dat is een aanzienlijk makkelijkere vraag. Nee, natuurlijk niet. Dat heb ik al eens eerder betoogd. In 1977 was het al een oubollige naam waar niemand zich aan waagde. Sterker nog: de naam is nooit populair geweest. (Op het hoogtepunt, 1946, werden er 129 baby’s Thea genoemd. U kunt dat hier zien.) Hij is niet eens af. Theodora, akkoord. Dorothea, ook nog te doen. Voordeel is dan ook dat je kind er zelf nog iets van kan maken. Ik betwijfel dat ik mezelf Doortje had genoemd als ik Dorothea had geheten, maar het had gekund.

Kortom: een en al geklaag. Je bent er als ouder maar mooi klaar mee. Maar dat moet je gewoon allemaal negeren. Noem je kind gewoon Sterre. Of Kees. Of Mozes. En laat ze hun hele leven maar lekker klagen omdat er daarna een stel idioten een TV-serie heeft gemaakt met behulp van plastic tandjes en een bordkartonnen decor. Kun jij toch niks aan doen? Nou dan. Ze hadden ook geboren kunnen worden met een lelijk hoofd, of flaporen.

Daarom is de conclusie: wat het ook wordt, ze moet het er maar mee doen. Zeg er, tegen de tijd dat het kind hele zinnen op normale toonhoogte kan volgen, bij dat ze gewoon lekker vette pech heeft. Wees gewoon trots op het feit dat je een beetje vreemd heet. Benedict Cumberbatch draagt zijn kruis ook met trots. Als hij het kan, moet het iedereen lukken.

Sanne is inmiddels moeder van een goedgelukt meisje zonder lelijk hoofd of flaporen, en de prachtige naam Rosa. Goed gedaan, Sanne! Rosa is trouwens al zes maanden oud. Sorry, Sanne…

Blogmarathon (4): getto’s

Dit is aflevering 4 van de blogmarathon voor het Rode Kruis. Ook meedoen? Doneer minstens 10 euro en kies het onderwerp van een blogpost. Alles mag, als het maar geld oplevert. Lees meer in de introductie over hoe het werkt. De stand: 135 euro! We gaan goed, maar er kan nog meer bij. Om de boel nog wat aantrekkelijker te maken: als we de 200 halen voor het Rode Kruis, doneer ik zelf ook 200 euro aan Amnesty International, aan het eind van deze actie. Omdat ik vind dat de nood geledigd moet worden, maar de oplossing ligt in een wereld waar schurken niet aan de macht zijn.

Een goede vriendin doneerde 35 euro voor een blogpost over vriendschap. Deel 1 daarvan ging over Pjotr uit Oekraïne, deel 2 ging over Ben uit Israël. En dit is deel 3, over een gesprek aan een keukentafel, na een etentje in Amsterdam Nieuw-West, vlak voordat ik het land ging verlaten om een tijd te gaan wonen op een Mediterraan eiland hier ver vandaan (nou ja, zo ver hier vandaan als een Mediterraan eiland kan zijn, in ieder geval).

De setting: alles schoon op want het was lekker, ergens rond middernacht is de twaalfde fles wijn opengetrokken, iedereen heeft een mening over alles,  niemand wil naar huis want het is koud buiten, en het gesprek gaat over wat voor foute actie iemand nou weer heeft op z’n geweten heeft.

Deze keer ben ik diegene van de foute actie. Stelling: welke lesbo gaat er nou naar een achterlijk land verhuizen waar iedereen alleen maar souvlaki eet en trouwt op z’n 25ste? Kortom: waar je zo’n beetje the only gay in the village bent?

Degene die deze stelling het allerenthousiast verdedigde (zelf, zoals alle mensen aan tafel behalve ik, hartstikke hetero) betoogde dat hij zich zorgen maakte. Ik woonde toch nu in Amsterdam? Er is toch geen betere plek voor een lesbo om te zijn dan daar? Wat deed ik mezelf aan?

Met alle respect voor de mensen die die avond deze stelling verdedigden: dat is nou echt een flinke portie flauwekul. Als je gewoon niet zo avontuurlijk bent en liever thuis blijft: prima. Als je je ideale plek hebt gevonden op deze planeet met een leuke baan, echtgenoot, hond en kind, en je wil daar lekker blijven: geweldig. Niks meer aan doen. Koop er hooguit een huis met open haard en een fijn Boretti-fornuis met acht pitten en twee ovens bij, neem desnoods nog een paar extra kinderen of vrienden om die acht pitten te verantwoorden, en je zult mij niet horen. Sterker nog, dat zou ik zelf ook doen.

Maar ergens blijven omdat de buitenwereld zo bar en boos is, en minder verlicht is dan het centrum van de wereld (voor de provincialen: dat is dus Amsterdam. Wist u niet hè? Geeft niks, want u weet natuurlijk niet zoveel. Dat krijg je ervan, als je elke avond naar RTL4 kijkt. Amsterdammers, dat zijn pas wereldburgers. Vooral die Amsterdammers die vinden dat de provincie begint achter de A10.), daarom dus, dat is niet alleen flauwekul, ik vind dat gevaarlijk. Blijkbaar wil je geen mensen kennen die anders zijn dan jijzelf. Je wilt alleen maar mensen met dezelfde smaak in films en muziek, mensen die hetzelfde eten als jij, mensen met jouw politieke voorkeur, je wilt alleen stukken lezen die passen bij je wereldbeeld en vooral geen stukken die dat beeld bijstellen, je wilt een cocon van gelijkhebberij, je wilt een getto waarin je alleen maar jezelf tegenkomt.

Prachtig. Voor jou hebben we de PVV uitgevonden. Veel plezier met je soortgenoten.

Als je een tijdje ergens anders gaat wonen en werken, dan doe je dat natuurlijk niet alleen om hoogdravende motieven. Je doet dat omdat je je baan zat bent, en omdat je in een fase van je leven zit waarin niets je in de weg zit om ook daadwerkelijk te gaan, en misschien ook soms omdat er dingen zijn die je niet bevallen aan je huidige leven. Maar je gaat ook omdat je weleens wil weten hoe het eraan toegaat, daar op die plek die je nog niet kent.

Daar ga je, met je spullen en je koffer en je seksuele identiteit en je Hollandse betweterigheid en je voorliefde voor kroketten. Al die dingen gaan misschien problemen opleveren. Maar problemen worden door al die nare positiviteitsgoeroe’s niet voor niks ‘uitdagingen’ genoemd. Dat zijn ze namelijk ook. En, nog erger, het zijn ook (hou u vast, ik ga het echt zeggen) ‘leermomentjes’.

Die seksuele identiteit bleek geen groot probleem, alleen van mensen die ik toch al niet mocht, achter mijn rug om, en dat heb ik nooit zo’n probleem gevonden. Wel lastig voor mijn vrienden, soms.

Die betweterigheid en de neiging om altijd en overal een mening te verkondigen, die was wel af en toe een probleem. Het Midden-Oosten houdt van de gewoonte die ook in Overijssel de voorkeur heeft: als je het er niet mee eens bent, zeg je gewoon niks. Ik heb dat nog niet helemaal onder de knie. Gelukkig vonden ze me verder wel lief.

Die voorliefde voor kroketten? Tja. Ik heb ze maar gewoon zelf leren maken. Sommige geloven moet je gewoon heel fundamentalistisch blijven aanhangen, welke tegenstand je ook ontmoet en hoeveel exotische concurrentie ze ook krijgen.

Kortom: dit drieluik was een langdradig pleidooi voor vrienden met wie je niets gemeen hebt. En mensen die vinden dat je alleen vrienden moet zijn met mensen die op je lijken, moeten echt iets aan hun wereldbeeld doen. Bijvoorbeeld door eens buiten de A10 te gaan kijken.

Volgende keer: een vraag van Sanne, die wil weten: moet ze haar ongeboren dochter Thea noemen? Voorwaar, een belangrijke kwestie. Die bovendien 35 euro opleverde, dus nog belangrijker is geworden dan hij al was.

1 Comment

Blogmarathon (3) Ben

Dit is aflevering 3 van de blogmarathon voor het Rode Kruis. Ook meedoen? Doneer minstens 10 euro en kies het onderwerp van een blogpost. Alles mag, als het maar geld oplevert. Lees meer in de introductie over hoe het werkt. De stand: 110 euro! We gaan goed, maar er kan nog meer bij.

Een goede vriendin doneerde 35 euro voor een blogpost over vrienden. Vorige keer deel 1 daarvan, over Pjotr uit Oekraïne, en vandaag deel 2, over Ben uit Israël. Ik heb weken over dit stukje gedaan, omdat ik het al aangekondigd had, maar er niet uitkwam. Het is namelijk niet grappig. En ik wil altijd dat alles grappig is. Dus als je deze blogposts graag leest omdat je er altijd zo om kan lachen: vandaag heb je pech. Sorry. Het moet maar gewoon zoals het is. Een onbedoeld neveneffect van deze marathon, zullen we maar zeggen. (Waarover later trouwens meer, over die neveneffecten.)

Soms heb je collega’s die je op het werk wel achter het behang kan plakken, maar privé enorm goed trekt. Zo iemand was Ben. Hij kwam oorspronkelijk uit Oost-Europa, verhuisde als kind naar Israël en was alweer een paar jaar in Cyprus. Hij vond altijd dat alles verkeerd ging in ons instituut, voornamelijk omdat niemand naar hem luisterde, hij wist alles altijd beter, en ergerde alle leidinggevenden tot ze hem allemaal wel iets aan konden doen. Als hij me belde op het werk, wilde ik acuut naar de WC. Soms liet ik mijn collega opnemen die dan zei dat ik op de WC zat. Als ik hém belde, vond hij dat mijn vraag eigenlijk voor iemand anders bedoeld was, want hij was te belangrijk om lastig te vallen met zulke kwesties. Hij was Een Wetenschapper en wenste zijn tijd alleen te wijden aan De Wetenschap. En toch was hij ontzettend leuk om mee om te gaan, zolang je net deed alsof dat instituut waar hij de hele dag over kankerde, iets was waar je zelf niet werkte, maar weleens vaag van had gehoord. Af en toe instemmend knikken hielp ook, en veel drinken. Dat was het voornaamste wat wij gemeen hadden.

Het leukste vond ik zijn foute grappen. Alles moest eraan geloven. Over vrouwen zei hij ooit: “I never trust anything that bleeds for days and doesn’t die” en dan lag ik gierend aan de lunchtafel, terwijl we omringd werden door ongemakkelijke Cyprioten. (Het bleek een quote uit South Park.)

Toen ik alweer in Amsterdam woonde, kwam hij een keer langs, omdat hij een conferentie had. Ik bood aan hem de Portugese Synagoge te laten zien en uiteindelijk belandden we in een ouderwetse Amsterdamse kroeg, waar ik hem, zoals het een goede gastvrouw betaamt, kennis liet maken met het verschijnsel ‘jonge jenever’. Na een paar van die borrels probeerde ik me alle Jiddische woorden te herinneren die ik kende in het plat Amsterdams, wat blijkbaar ontzettend grappig was. Vervolgens kwam het tot een grondig vergelijkend warenonderzoek naar het verschil tussen oude en jonge jenever, en toen ging het verkeerd.

Wij belandden in een discussie over de Joods-Palestijnse kwestie. In al die tijd dat wij elkaar hadden gekend in Cyprus was het hele onderwerp nog nooit ter sprake gekomen. Ik nam gewoon aan dat hij, een intelligent en gestudeerd mens, lang in allerlei buitenlanden gewerkt, nooit achter de politiek van Israël zou kunnen staan. Hele Amnesty-rapporten vol had ik gelezen over de smerige praktijken van Israël, in tijden van oorlog, maar ook daarbuiten. Mensen die daar achter staan, die ken ik toch zeker niet? Dat kon hij toch niet verdedigen? Blijkbaar kon hij dat wel. Hij verdedigde elke actie van Israël met de argumenten die we al kennen van de Israëlische politici. (Ja maar die Palestijnen zijn ook geen lieverdjes / wij zijn omringd door moslims dus we moeten wel / jij woont in vrede dus je begrijpt het niet) Dronken en bijna schreeuwend gingen wij beiden tekeer, tot hij eindelijk verslagen zei: ‘Ik snap het niet. Jij bent toch slim. Je bent aardig. Hoe kun je dan zo tegen het Joodse volk zijn?’

Stilte. Ik was met stomheid geslagen. Hij meende het echt. Ik had moeten tegenwerpen: ‘Jij bent nog veel slimmer dan ik, je bent een wetenschapper, je weet enorm veel van de geschiedenis. Hoe kun je dan kritiek op Israël gelijkstellen aan afkeer van alle joden?’ Maar het valt niet mee om na een volle dag vol bezienswaardigheden en met iets te veel drank in je systeem beschuldigd te worden van antisemitisme door iemand die je als een vriend beschouwt, dus ik kon niet heel veel anders zeggen dan ‘Ik heb helemaal niks tegen het Joodse volk…’. Ik mompelde ook nog iets van ‘Als jij en ik tijdens de Tweede Wereldoorlog hadden geleefd, waren we er allebei aangegaan’, maar hij vond het van hem toch erger. De redenering kan ik me niet precies meer herinneren. Wel dat ik beledigd was. Toen waren we uitgepraat. We namen nog een laatste, en toen bracht ik hem naar zijn hotel.

Die vriendschap heeft nooit echt geleden onder dit incident, misschien doordat we nu ook weer niet zo close waren. Dat veranderde tijdens de nieuwste oorlog in Gaza. Toen begon hij op Facebook dingen door te sturen die door het Israëlische leger werden gepost en neerkwamen op redeneringen als: ‘Er zijn zo veel doden in Gaza omdat Palestijnen niet van hun kinderen houden’.

Hij verdedigde de verschrikkelijkste dingen met steeds hetzelfde argument: en Hamas dan? Waarom heeft iedereen alleen kritiek op ons? En met als onderliggende gedachte het slachtofferschap van het gehele jodendom. Ik kon me dan natuurlijk niet inhouden en er volgden felle debatten waar al onze Facebookvrienden van konden meegenieten. Uiteindelijk moesten we onszelf er dan aan herinneren dat we elkaar echt aardig vonden, normaal gesproken, en dan ging het wel weer. Maar boos bleven we.

Tot ik hem een keer vroeg: dus jij vindt die bombardementen een goed idee? En toen liep hij alsnog leeg over de dingen die Israël in zijn ogen verkeerd doet. Nee, die bommen waren verschrikkelijk, en ja die settlers in de bezette gebieden waren ook verschrikkelijke extremisten die vrede in de weg stonden en het was ook een probleem dat Israël nou eenmaal gebouwd was op land dat van iemand anders was geweest. Maar waar moesten ze dan heen?

Toen snapte ik het helemaal niet meer. Waarom verdedigde hij al die acties waar hij het zelf niet mee eens was? Ik moet het hem ooit nog eens vragen, als ik weer in Nicosia ben, maar ik vermoed: omdat de staat Israël zo’n veilige haven is voor veel mensen, dat die niet in de kern bekritiseerd kan worden.

Het doet me een beetje denken aan dat cliché van de Italiaanse man: wordt zelf doodmoe van z’n moeder, maar één verkeerd woord van jou over zijn Mama en je kunt een rechtse hoek krijgen. Ook als je gelijk hebt.

Wat we ermee opschieten, weet ik ook niet, maar sinds ik weet dat het verwijt waar ik vroeger zo van overkookte, het aloude “wie tegen de politiek van Israël is, is een antisemiet”, blijkbaar door veel Israëliërs echt geloofd wordt, bekijk ik sommige dingen wat anders. Een foto van een demonstratie tegen de bombardementen in Israël in Chicago van afgelopen zomer vond ik indrukwekkend. Een enorme massa, allemaal opkomend voor het Palestijnse volk. Mijn oud-collega ziet een enorme mensenmassa die zijn vaderland van de kaart wil vegen.

Dat is dom van hem, dat is vreselijke staatspropaganda die zich in zijn brein heeft genesteld, dat is enorm kwetsend tegenover mensen die slechts uit rechtvaardigheidsgevoel de straat op gaan, en het is bovendien slachtoffergedrag dat de vrede in het Midden-Oosten niet dichterbij brengt. Maar – en dat is nog het ergste: hij gelooft het echt.

Blogmarathon (2): Pjotr

Dit is aflevering 2 van de blogmarathon voor het Rode Kruis. Ook meedoen? Doneer minstens 10 euro en kies het onderwerp van een blogpost. Alles mag, als het maar geld oplevert. Lees meer in de introductie over hoe het werkt. De stand: 110 euro! We gaan goed, maar er kan nog meer bij.

Een goede (en gulle!) vriendin vroeg een blog over ‘vriendschap’ voor 35 euro. Ik wil natuurlijk allereerst benadrukken dat echte vriendschap zich niet in geld laat uitdrukken, normaal gesproken. Maar nu even wel. Als u mij als een vriendin beschouwt, dan verwacht ik dat u nu grijpt naar uw internetbankieren en een bedrag doneert op rekeningnummer NL85 INGB 0686283384, vergezeld van een onderwerp. Dat doen vrienden voor elkaar. Ik zou bijna zeggen: hoe meer u van mij houdt, hoe hoger het bedrag dat ik op die rekening verwacht aan te treffen.

Als u eigenlijk best wel een hekel aan mij hebt, dan doet u een onderwerp waar in het geheel niets over te vertellen is. Fruitvliegjes. Het begrotingsbeleid van de gemeente Haarlemmermeer. Of misschien juist een onderwerp waarvan u weet dat ik er dagenlang over door kan ratelen, stomend uit de oren, nachten doorhalend, omdat de rest van de wereld er Niets Van Begrijpt. In beide gevallen hebben wij allebei ons doel bereikt, en daar gaat het allemaal om.

Op het onderwerp ‘vriendschap’ heb ik lang zitten kauwen, want ik ben zo’n type dat het liefst alles ongezegd laat in een goede vriendschap. Als een vriendin snotterend aan mijn eettafel zit dat haar ex-vriendje zo’n lamlul is, heb ik weleens de neiging om mijn vriendschap en steun uit te drukken in de dieppsychologische vraag: ‘borrel dan maar?’ Niet dat ik niet meeleef. Integendeel. Ik ben alleen wat sociaal gemankeerd, af en toe.

Dit is een blog in drie delen. Ik zal er meteen de moraal van het verhaal bij doen. Het gaat om drie vrienden die bewijzen dat de wereld klein is. Te klein om een conflict te beschouwen als een ver-van-mijn-bed-show. Deel 1: Pjotr.

In 2010 en 2011 werkte ik in Cyprus voor een internationaal instituut. Een klein instituut vol wetenschappers uit alle werelddelen, dat staat garant voor een hoop kleurrijke types. Een daarvan was was een jongen die mijn vaste duikbuddy werd, en mij na een tijdje ook alleen maar “hey buddy!” noemde en mijn echte naam weigerde uit te spreken. We zullen hem Pjotr noemen. Soms was hij zo excentriek dat hij niet helemaal in orde leek. Als je vroeg hoe het met hem ging, zei hij op steeds dezelfde toon in zijn komische accent: “Extremely fine!” Hij kon alleen maar praten over zijn werk (computermodellen programmeren), wielrennen en duiken, en obscure historische feitjes. De eerste keer dat ik hem ontmoette (achterin een auto onderweg naar een duikplek) trakteerde hij mij op een college over de familie Van Oranje Nassau die misschien tot de dag van vandaag was blijven duren als niet iemand voorin had ingegrepen met een ferm: “Pjotr, we zijn er! En Thea is al in slaap gevallen.”

Pjotr en ik werden min of meer vrienden. Min of meer, in de zin dat ik hem zoveel mogelijk afhield van het onderwerp wielrennen, en zoveel mogelijk met hem ging duiken. Hij kon altijd, want verder had hij geen vrienden. Hij had een feilloos richtinggevoel, en dat kwam heel goed uit want ik verdwaal nog in een vijver als ik eenmaal onder water ben. Hij was ook erg sterk, en was van het ouderwetse galante soort, en dat kwam ook weer heel goed uit, bijvoorbeeld als ik in de brandende hitte was uitgegleden op een rots met mijn topzware duik-uitrusting en als een schildpad met mijn achterpootjes in de lucht, spartelend om hulp riep.

Ooit raakten we na een duik in de problemen. Een voorbijvarend militair schip maakte zoveel golven dat we dreigden verpletterd te worden tegen de rotsen. Met ‘we’ bedoel ik eigenlijk ‘ik’. Pjotr stond al op een plateau op de rotsen, en was net bezig mij aan de kant te helpen, toen ik door de golven eerst ruw op dat plateau werd gesmeten – ik dacht nog: “hee, dat is handig!” – en vervolgens net zo makkelijk weer werd teruggesleurd. Ik verdween, zei hij later, spoorloos in een kolkende zee vol wit schuim. Ik had mijn adem-automaat nog in en meer dan genoeg lucht in mijn vest, dus er kon mij weinig gebeuren – tenminste, dat hield ik mijzelf voor terwijl ik even niet wist wat boven of onder was. Ik kwam inderdaad vanzelf weer bovendrijven en kwam er met een paar schrammetjes vanaf. Dat weerhield hem er niet van om de volgende dag op het werk droog te verkondigen: ‘We zijn dit weekend bijna vermoord door de marine!’ (Iemand vroeg cynisch: ‘welke marine? De Cypriotische of de Turkse? De Griekse? Die van de VN? De Britten?’)

Pjotr was niet helemaal van deze wereld, maar niets menselijks was hem vreemd, zo bleek: hij was verliefd op een collega. Tragischerwijs was die collega in het diepste geheim lesbisch, en bovendien mijn vriendinnetje. Pjotr negeerde al haar nerveuze uitvluchten en trok maandenlang, terwijl ik mijn kaken stijf op elkaar hield en spijtig toekeek, alles uit de kast om haar te veroveren. Ik denk niet dat hij ooit heeft doorgehad waarom hij zoveel rondjes van me kreeg als we met z’n drieën wat gingen drinken. (Hij dronk alleen thee).

Pjotr had een grondige hekel aan zijn geboorteland. Hij had ook een grondige hekel aan zijn etnische afkomst. Hij wilde er verder niet over praten en zei alleen maar: “It’s complicated.” Het enige dat hij er ooit over zei, was dat de autoriteiten zijn voornaam op wel drie verschillende manieren spelden op verschillende documenten. Hoe dit allemaal in elkaar stak en waarom hij het er niet over wilde hebben, wist ik nog niet, maar die autoriteiten waren Oekraïens en zijn etnische afkomst Russisch, en inmiddels weten we allemaal, beter dan ons lief is, hoe dat in elkaar steekt.

Op een zekere dag ging Pjotr een paar weken terug naar Oekraïne, en kwam getrouwd terug, ik vermoed met iemand die zijn ouders voor hem uitzochten. Hij werkt tegenwoordig bij een vooraanstaande universiteit. De laatste keer dat ik hem sprak via chat, vertelde hij dat zijn schoonouders de stad waar ze woonden, verlaten hebben en niet weten of ze ooit nog terug kunnen.

Morgen: mijn hoog oplopende ruzie in een Amsterdams café met een Israëlische collega.

Opgebracht: 35 euro! Dank je wel, Angela!

Blogmarathon (1): Neil Diamond

Dit is aflevering 1 van de blogmarathon voor het Rode Kruis. Ook meedoen? Doneer minstens 10 euro en kies het onderwerp van een blogpost. Alles mag, als het maar geld oplevert. Lees meer in de introductie over hoe het werkt.
Het gaat goed trouwens! De stand is nu al 75 euro, voor drie onderwerpen. Maar er moet nog veel meer bij. Dus verzin ook een onderwerp en zorg dat ik mijn doel van 200 euro haal.

Van een oud-collega, onlangs teruggevonden per Facebook, kreeg ik het onderwerp ‘Neil Diamond’, want het stond hem bij dat ik daar fan van was.

Dit is meteen al een schot in de roos. Ik weet namelijk nauwelijks wie Neil Diamond is. Hij bedoelt waarschijnlijk Neil Young. Ik zou natuurlijk kunnen smokkelen en hem mailen, ‘je bedoelt zeker Neil Young he?’, maar dit is nou juist de lol. Neil Diamond staat er bij die 20 euro, dus Neil Diamond it is.

Neil Diamond en De Onvermijdelijke Kerstplaat

 

Laten we voor de grap eens het spelletje “klok & klepel” spelen. Dit spelletje heb ik zojuist uitgevonden en is gebaseerd op hetzelfde principe dat het ook mogelijk maakt te doen alsof je een filmklassieker hebt gezien terwijl dat niet zo is. Je roept wat algemeen bekende quotes of andere clichés, en voilá. Een filmkenner.

Het spelletje werkt als volgt: ik roep zoveel mogelijk van wat ik denk te weten over een onderwerp, en daarna gaan we kijken wat ervan klopt. Hoe specifieker, hoe beter. Puntentelling is volledig arbitrair en bovendien ben ik hier de baas, maar het is veel leuker om er naast te zitten dan het goed te hebben, denk ik, dus heb vertrouwen. Daar gaan we.

Ik denk dat Neil Diamond een Amerikaanse zanger is, die het meer van zijn stem moet hebben dan van zijn schrijftalent. Hij werd populair in de jaren ’50 (misschien 60?) als crooner. Ik denk dat mijn moeder wel van Neil Diamond zou kunnen houden. Categorie Cliff Richard, maar dan (nog) gladder en Amerikaanser. De ‘echte’ muziekliefhebber moet hem niet.

Diamond is een pseudoniem, verzonnen door zijn manager, een Colonel Parker wannabe, omdat zijn echte naam te joods klonk en dat leek de manager geen goed idee. Neil is ooit door hem (of wellicht een financieel adviseur) opgelicht en van een groot deel van zijn geld afgeholpen. Maar dat was allemaal eind jaren ’70, toen het met zijn carrière bergafwaarts ging.

Maar in de jaren 50/60 vierde hij het ene succes na het andere. Nummer 1-hits, duetten met Barbra Streisand en Dolly Parton (genre crossover, handig voor het aanboren van nieuwe markten), bakken geld, enzovoorts. Hij heeft een geniale stem en een haarscherp gevoel voor het vertolken van andermans liedjes.

Ik kan niet besluiten of hij een onkreukbaar iemand is die nooit een druppel drinkt, of dat hij zich in de jaren 70 en 80 overgaf aan verslavingen aan drank, slaappillen en vrouwen. Laten we kiezen voor dat laatste. Zijn geld is dus gejat door een manager of inhalige platenmaatschappij en onze Neil zakt langzaam weg in een moeras van plastische chirurgie, kerst-LP’s en optredens op luxe cruise-schepen, waar hij nog steeds een succes is bij de dames van 80 jaar en ouder.

In de jaren ’90 duikt hij nog een paar keer op in TV-series, zichzelf parodierend, wat hem wat jonge fans oplevert, die het allemaal heel ironisch vinden. Hij zou wel elk moment weer salonfähig kunnen worden na het opnemen van een plaat met Jack White ofzo als producer. Maar dat zal wel niet gebeurd zijn, want ik vermoed dat Neil Diamond dood is. Ergens in 2005? Kanker, of de gevolgen van een mislukte levertransplantatie.

Ik kan geen enkele hit van Neil Diamond noemen, maar zodra ik hem google, zijn er vast zo een stuk of tien waar ik het refrein van kan meezingen. Dat allemaal dankzij een jeugd vol luisteren naar de TROS Gouden Uren, op zoek naar Jackson 5 hits die ik nog niet op mijn cassetterecorder had opgenomen. Auto-reverse, natuurlijk.

En dan nu even naar Wikipedia.

Oei.

Wat ging er verkeerd?

  • Hij leeft nog.
  • Hij is juist bekend om zijn songwriterschap, en schreef ook voor anderen.
  • Hij heet echt Neil Diamond. Extra geestig: dat *is* een Joodse naam.
  • Hij heeft wel kanker gehad, maar dan in 1979, en hij ging er dus niet aan dood.
  • Hij is een stuk jonger dan ik dacht: hij had juist zijn hoogtijdagen in de jaren ’70, waar ik hem al een Elvis-achtig drama in de schoenen schoof. Vandaar dat hij nog leeft!
  • Geen dubieuze manager die hem zijn geld aftroggelde. (Dat wl zeggen: hij is nu met zijn manager getrouwd, dus misschien na de scheiding? Het is zijn vierde huwelijk, dus alles is mogelijk.)
  • Geen wilde verhalen van verslavingen. Nou ja, misschien de vrouwen…
  • Is mijn moeder een fan? Ik heb haar even gebeld: “Ach… nou ja… ach. Jawel hoor, voor zover ik het me kan herinneren.” Half puntje?

En wat klopte er wel?

  • Een duet met Barbra Streisand (‘You Don’t Bring Me Flowers’ in 1979)
  • Aalgladde muziek, vergelijkingen met Cliff Richard, die ook een paar van zijn nummers opnam.
  • Als ik die foto uit 2007 zo zie, zijn er wel een paar facelifts in het spel.
  • Film cameo’s waarin hij zichzelf op de hak neemt.
  • Een comeback album met zo’n hippe producer die ook andere bejaarden weer tot leven heeft gewekt! OK, het is niet Jack White, maar Rick Rubin, maar dat is hetzelfde.
  • Kerstplaten! Waaronder een uit 2009 met de onfortuinlijke titel ‘A Cherry, Cherry Christmas’.
  • De serieuze muziekliefhebber haalt zijn neus voor hem op.

En, nog leuker, het is best te verteren, die muziek. Zoals dit:

Opgebracht: 20 euro! Dank je wel, William!

1 Comment

En nou is het genoeg

Ik heb het ermee gehad. U ook, waarschijnlijk. Met al die nieuwsberichten over de wereld die in brand staat, en met het feit dat ik er bij sta te kijken en niks sta te doen. Ja, stellige meningen, die heb ik. Ongevraagd, ook. Maar daar heeft natuurlijk niemand iets aan. Ondertussen heeft het Nederlandse Rode Kruis voor het eerst in zijn geschiedenis een actienummer geopend zonder een specifiek doel: er gebeurt te veel.

Je kunt natuurlijk altijd wat doen. Je kunt, net als Jermaine W, afreizen naar Syrië met vrouw en kinderen, maar ik stel voor dat we dat niet doen. Je kunt ook opinies schrijven in de krant. Soms heb je dan ontzettend gelijk, zoals Bas Heijne met zijn schitterende column in het NRC dit weekend. Wat je daarmee bereikt, is onduidelijk, maar je doet in ieder geval wat je kan.

Wat kan ik? Domme stukjes schrijven. Het liefst over niks. Dat helpt niemand in Syrië, niemand in Irak, niemand in Oekraïne, niemand in Palestina, en niemand met ebola. Maar daar heb ik nu iets op bedacht.

Dit is het moment waarop ik zoete wraak neem op iedereen die mij de laatste twee jaar heeft geconfronteerd met mijn procrastinatie. ‘Thea, wanneer schrijf je nou eindelijk weer eens een stukje op je blog?’ ‘Ik lees nooit meer wat van je!’ enzovoorts. Het klinkt echt heel naar en onbescheiden, maar het was echt zo. Maar ik was te druk, te moe, te lamlendig, en vaak all of the above.

Maar dit is Het Moment Waarop Alles Anders Wordt. Want u wilt een stukje? Dokken zult u. Voor het Rode Kruis. Voor een donatie (tien euro of meer) mag u het onderwerp bepalen, en ik schrijf er een blog post over. Het mag alles zijn. Het weer, uw favoriete band, de gehaktballen van de Keurslager, Kim Kardashian, Anita Meyer, Amsterdam, Varsen, Jamie Oliver, kattenfilmpjes, en eventueel zelfs de toestand in de wereld. Hoe ik dat onderwerp behandel, dat is afwachten, natuurlijk… maar het zal erover gaan.

Hoe hoger het bedrag over een onderwerp – van één of meer mensen samen – hoe sneller het aan de beurt komt. Onderaan het stukje zet ik wat het heeft opgeleverd. Namen zal ik niet noemen, maar ik zal u eeuwig dankbaar zijn (al is het alleen maar omdat ik dan niet voor lul sta…) en vlijtig aan het tikken slaan op mijn laptop. Ik hoop op 200 euro. Eigenlijk vind ik natuurlijk dat we met z’n allen veel meer moeten opbrengen, maar u moet ook nog zin hebben in al die stukjes natuurlijk, dus ik blijf voorlopig even bescheiden.

Dus hier met die centen. Ik heb nog ergens een bankrekening die ik niet meer gebruik, en daar staat het eerste tientje inmiddels op: dat van mijzelf, voor dit eerste stukje. Zodra de volgende bedragen binnenkomen, zal ik de volgende blog blogs schrijven, net zo lang tot ik ze allemaal heb gehad. Misschien ben ik dan volgende week alweer klaar (men blijft natuurlijk niet eeuwig smachten naar een blog dat al twee jaar dood is) of misschien pas volgend jaar, kan me niks schelen. Ik hoop natuurlijk dat er heel veel mensen zijn die geld over hebben voor een stukje, maar je mag het ook best gebruiken als smoes/aanleiding om nu eindelijk eens geld te geven voor al die mensen met heel veel botte pech. Er zijn maar twee dingen verplicht: maak minstens 10 euro over, en noem een onderwerp in de omschrijving. De rest doe ik.

UPDATE:
Hoera! Ik knipper nog niet met mijn ogen en de eerste donatie is binnen! Nieuwe tussenstand: 45 euro! Kom maar op met de rest. Ik zit er helemaal klaar voor. (N.B. Het gemiddelde bedrag voor een donatie komt hiermee op 22,50 inclusief mijn eigen magere tientje. Ik bedoel daar verder niks mee, maar dat u dat even weet voor u zelf uw app erbij pakt…)

Scratch that!

Hoera!

 

 

 

 

 

 

Spelregels:
• Voor 10 euro of meer, schrijf ik een stukje over het onderwerp naar uw keuze op www.chezthea.nl.
• Zodra het geld binnen is op rekeningnummer NL85 INGB 0686283384, met in de omschrijving het onderwerp, ga ik schrijven.
• Mocht u sneller overmaken dan ik kan schrijven, dan krijgen de onderwerpen die het meeste opbrengen, voorrang.
• Om de zoveel tijd publiceer ik een tussenstand met een nieuw screenshotje van de bankieren-app van ING.
• Zodra we bij de 200 zijn, maak ik het over naar het Rode Kruis, het actierekeningnummer 6868. Ook daarvan weer een screenshotje als bewijs op www.chezthea.nl. Mocht het eerder stilvallen, dan natuurlijk eerder, en mocht het daarna nog doorgaan, dan gaan we door voor de volgende 200 euro.

2 Comments

Lui

In augustus schreef ik over mijn adoptieneef, die tijdelijk bij mij kwam wonen als springplank naar een lang en gelukkig leven in Amsterdam. U zult vooral gelachen hebben om de naïviteit waarmee ik riep: ‘Misschien blijft die jongen hier wel weken!

Uiteraard kijkt u er niet van op dat ik, drie maanden later, nog steeds mijn adoptieneef over de vloer heb. Zijn status is geruisloos overgegaan van ‘logé’ naar ‘tijdelijke huisgenoot’. Vreemder is het dat in die drie maanden geen onvertogen woord is gevallen. U bent verbaasd hè? Ik ook. Maar het feit blijft dat neefje (hyperactief, meer kleren dan Carrie Bradshaw, idolaat van Beyonce) en ik (liever lui dan moe, in het bezit van maar liefst twee spijkerbroeken – waarvan één in de goede maat -, idolaat van oude mannen met gitaren) vrijwel niets gemeen hebben, maar het toch prima redden in dit appartementje. En met ‘prima redden’ bedoel ik niet alleen dat we elkaar niet in de weg zitten. We hebben het over het niveau waarin ik regelmatig op zaterdagnacht mijn bed uitkruip voor ‘nog één borreltje dan’ als hij thuiskomt van een of ander nachtbrakerig avontuur, en waarin ik per sms een kopje thee kan bestellen terwijl ik op mijn iPad TV lig te kijken in de slaapkamer.

Een groot nadeel is wel dat ik er ook tot mijn eigen afgrijzen moederlijke teksten uitgooi in de trand van ‘Eet toch eens wat! Je bent veel te mager.’ Daarna sla ik dan verschrikt mijn hand voor mijn mond terwijl tegenover mij een snotjong van 21 gierend van zijn stoel rolt. Blijkbaar heeft zijn moeder bij het pakken van de koffer ook haar Cypriotische moederkloekinstinct in een sok gesmokkeld ofzo.

Terwijl ik worstel met een lichte identiteitscrisis, zien sommige mensen om mij heen louter voordelen. Ongeveer anderhalve dag nadat hij zijn monstreus grote koffer had binnengerold, botvierde mijn adoptieneefje zijn organisatiewoede op mijn huis. Dat kon het huis best gebruiken. Een paar weken later kwam mijn moeder langs. Zodra ze binnenkwam en de woonkamer zag, grinnikte ze sarcastisch. ‘Wat is hier gebeurd?’ vroeg ze, precies op het moment dat neefje vanuit de keuken riep: ‘Let alsjeblieft niet op de rommel!’. Sindsdien houdt mijn moeder van mijn adoptieneefje.

Maar ik wilde het eigenlijk over een permanentere revolutie in mijn leven hebben. Ik krijg een Albert Heijn. Om de hoek. Letterlijk om de hoek. Waarom kijkt u nu zo teleurgesteld? Dit is een wonder. Mijn leven zal nooit meer hetzelfde zijn. De zon is doorgebroken, al mijn problemen zijn opgelost, van nu af aan wordt alles beter!

Ja ja ja, de Albert Heijn is een middelmatige supermarkt. Ja ja ja, je koopt er drie takjes munt in een plastic bakje voor 1,79 en zogenaamd duurzaam vlees dat net zo hard gemarteld is als het andere vlees, en meer van die oplichterij. Kan me niet schelen. Want uw ‘warme’ bakker op de hoek is ook geen heilig boontje en bovendien: vroeger moest ik voor die oplichterij maar liefst 800 meter fietsen. Achthonderd meter. Dat deed ik dus vaker niet dan wel, dat snapt u. Thuisbezorgd.nl heeft een goeie klant aan mij. En Café Cook ook, want daar ging ik dan maar soep eten op zaterdag als de koelkast leeg was. Want Café Cook is maar 400 meter.

Dat klinkt natuurlijk allemaal heel aanstellerig, maar zo werkt het nu eenmaal. In Oud-West, waar ik tien jaar gewoond heb, had ik ook een AH om de hoek. Die was klein en de lossende vrachtwagens onder mijn raam rammelden mij met hun rolcontainers regelmatig uit mijn slaap, om over de rotzooi nog maar te zwijgen, maar dat werd allemaal goedgemaakt door één voordeel: elke middag na het werk liep ik binnen en bedacht ik ter plekke wat ik ging eten. Nu mijn werk- en reistijden balanceren op het randje van belachelijk, is het feit dat ik voor de boodschappen op de fiets moet als ik om half acht thuiskom, een vaak onoverkomelijk nadeel.

Maar nu, na een half jaar bouwen, een half jaar waarin ik ‘s avonds regelmatig de afzetting van de bouwplaats overklom zodat ik als een blij kind met de neus tegen de ramen gedrukt kon kijken naar de rotzooi, brandt er nu licht. Licht in een ontzagwekkend grote ruimte met glinsterende schappen en glimmende vloeren. En licht in mijn bestaan. Gisteravond heb ik mijn tijdelijke huisgenoot tot wanhoop gedreven door en plein publique een vreugdedansje te doen toen ik zag dat alle schappen al gevuld zijn. Als je nu naar binnen kijkt, en dat doe ik veel te vaak en veel te lang en met een veel te blij gezicht, dan zie je eindeloze rijen koffie en cola en pakken rijst (en ook, las ik op de Facebookpagina van de winkelstraatmanager, 8 meter chips). In het gelid als een Noord-Koreaanse leger-eenheid tijdens een parade. Ik word er heel gelukkig van.

Niet iedereen is zo blij. Meteen nadat bekend werd dat er een AH zou komen op de plek waar toen nog een deprimerend rijtje vage stomerijen en reisbureaus zaten, brandde het koor van mopperaars los. Alweer zo’n eenheidsworst, kleine groenteboeren en kaaswinkels gaan er aan onderdoor, waarom is die verlichting zo ongezellig, ik had veel liever een Jumbo gezien, waarom geen HEMA, ik ben gewoon tegen kapitalisme, enz. enz. Daarnaast zijn er heel veel mensen die wel terecht klagen, omdat die veel overlast hebben gehad van de verbouwing. Die hebben blijkbaar zitten schudden in hun bovenwoning, kijkend naar de steeds groter wordende scheuren in de muren. Dat is heel erg, en daar moet AH zich voor schamen. Maar misschien is een troost dat er om de hoek een buurvrouw woont wier leven, voorheen vol bezorgpizza, bijkans gered is door de veroorzaker van deze verbouwingshel.

Woensdag gaat hij open. Mijn Albert Heijn. Ik kan hem wel knuffelen.

3 Comments

Adoptie-neef

Jaja, we leven nog. Ik zal niet al te veel woorden vuilmaken aan mijn radiostilte, maar neem van mij aan: elk weekend weer denk ik: dit weekend ga ik weer een stukje schrijven. En bij die mooie gedachte blijft het dan. Ik ga proberen mijn leven te beteren. En ik val maar meteen met de deur in huis.

Ik heb een 21-jarige geadopteerd. Ik had het zelf ook niet zo in de gaten, maar het was gebeurd voor ik er erg in had. Ik noem hem maar mijn adoptie-neef, want dat komt nog het dichtste bij de waarheid. (Mijn broer, overigens, is wat beledigd. “Als jij een adoptie-neef hebt, dan is het ook mijn adoptie-neef, waar of niet? En waarom ken ik die jongen nog niet? Hmmm?”)

Ik kan het uitleggen. Hoop ik. Ik heb in Cyprus een heel goede vriendin die weer heel dikke vriendjes is met haar neefje, de zoon van haar zus. Ze schelen 15 jaar, maar daar zitten ze niet mee. Regelmatig zitten ze samen in de kroeg hun liefdeslevens door te nemen onder het genot van een zivanomelo. En omdat ik ook wel van zivanomelo hou, werden wij ook vriendjes.

Vorige herfst waren ze samen een week bij mij op bezoek. Ik heb maar één slaapkamer, maar mijn voorstel om op de bank te slapen zodat zij in mijn bed en op een matras op de vloer konden, werd verontwaardigd afgeslagen. “We gaan gewoon op 1 kamer, dat is gezellig! Dan kunnen we lekker ouwehoeren!” Ik kreeg visioenen van Mickey Mouse pyjama’s, maar ze kregen gelijk, het was echt verschrikkelijk gezellig.

In het begin was het een komisch stel. Ze kwamen Centraal Station uit en riepen alleen maar: “Wat is dit een mooi gebouw! Wat is alles hier mooi! En groot! En wat is het hier koud!” Ze durfden geen zebrapaden over te steken want de straten waren zo breed, en er waren trams, en alle verkeer kwam van de verkeerde kant. Ze vonden het hilarisch dat de pin-automaten Engels tegen ze spraken. Een sigarenboer die het neefje een pakje sigaretten verkocht, keek toe hoe hij probeerde af te rekenen en vroeg: “Where are you from, a different planet?”

Maar het neefje raakte die week verliefd op Amsterdam. Echte duizelingwekkende ratio-uitschakelende verliefdheid. Hij voelde de kou niet meer, hij vond het eten geweldig, de mensen leuk, de taal mooi, alles was fantastisch. Aan het eind van de week stak hij zonder blikken of blozen elk zebrapad over. En toen hij terug was in Nicosia, zei hij tegen zijn moeder: “Ik ga in Amsterdam studeren.”

Na een paar maanden wachten, begonnen al zijn familieleden te vrezen dat het misschien niet zou overwaaien. Voorlopig zat hij nog in het leger, maar daar is hij in juni uit ontslagen. En nu moet het echte leven dus gaan beginnen. In Amsterdam. En gelijk heeft hij, want in Cyprus is voor hem geen toekomst. Een fatsoenlijke universiteit is er niet, de economie is ingestort en hij is het sowieso al jaren zat, dat kleine eiland.

Enter mijn regelneef-gedrag. “Oh, joh, ik weet toevallig alles van die aanmeldprocedure voor buitenlanders van de UvA, geef die papieren maar even aan mij, dan regel ik dat wel.”
“Joh, ik stuur je even een ellenlange mail over hoe je een kamer zoekt, hoeveel geld je per maand nodig hebt en wat de beste taalcursus is.”
“Joh, logeer gewoon eerst een weekje bij mij, als je nog geen kamer hebt.”
Hoe concreter zijn plannen werden, hoe groter mijn aandeel daarin qua advies, steun en toeverlaat.

En toen had ik dus een 21-jarige adoptie-neef. Zoals ik al zei, het ging vanzelf. En nu komt die dus naar Amsterdam, min of meer op de bonnefooi, want voor een studie heeft hij voorlopig nog niet genoeg A-levels. Ik weet best nog wel dat ik dat als plan C had geopperd, gewoon voor als hij écht heeeel graag naar Amsterdam wilde. Wist ik veel dat hij dat ook echt zou gaan doen…

Hij heeft nog geen kamer, en nog geen inkomen. Maar hij stuurt wel elke dag een sms-je zodra hij wakker is: “I’m soooooo excited!” Hij zit helemaal nergens over in de stress, hij gaat gewoon heel hard Nederlands leren, heel hard werken in een nog niet bestaand bijbaantje, en heel hard studeren om alsnog die A-levels te krijgen die hij nodig heeft om psychologie te studeren.

Mijn vrienden in Cyprus hebben me alvast per Skype uitgelachen. “Je bent mama geworden, Thea! Van een Cypriotisch papkindje!” Gelukkig is hij al zindelijk. Maar het feit blijft dat een Cypriotische 21-jarige net zoiets is als een Nederlandse puber, qua zelfstandigheid. Gelukkig kan hij niet wachten om het allemaal zelf te rooien. Ook zijn moeder heeft er eigenlijk alle vertrouwen in.

Er is er blijkbaar maar één die van dit hele verhaal nogal zenuwachtig wordt: ik. Straks ligt dat joch in de goot, aan de heroïne. Amsterdam is vergeven van de immigranten die mislukt zijn, en die zijn nu schoonmaker. Mijn eigen schoonmaker is er zo één. Aardige jongen uit Brazilië, maar hij had eigenlijk DJ willen worden, en dat is na een veelbelovende start dus toch niet gelukt.

Mijn adoptieneef kan toevallig ontzettend goed schoonmaken. Maar daar is hij veel te slim voor, en wie zegt dat er in deze crisistijd ruimte is op de arbeidsmarkt voor een jongen met gigantisch veel energie, maar zonder werkervaring, die drie talen vloeiend spreekt, maar voorlopig nog geen Nederlands? Straks keert ie met hangende pootjes terug naar Cyprus, het geld van zijn ouders uitgegeven en niets bereikt.

Nog eens wat: hij komt dus eerst bij mij wonen. Ik heb nog steeds die ene slaapkamer, en bovendien woon ik al zo lang in mijn eentje, dat ik me wat zorgen maak over mijn aanpassingsvermogen. Ik ben nogal gewend aan op mezelf zijn. Als ik kook, zing ik heel hard mee met gitaarsolo’s. Ik strompel elke ochtend half-naakt naar de badkamer. Mijn schone ondergoed ligt altijd nog in de droger, of op een stapel op de bank. En als ik thuiskom van mijn werk, gooi ik mijn tas met een flinke boog door de woonkamer in de wetenschap dat ik geen levend wezen zal verwonden.

Hoe moet dat nou straks? Misschien blijft die jongen hier wel weken. Het lukt me vast niet om me zo lang als een aangepast mens te gedragen. Op een goede dag ga ik vergeten dat ik een huisgenoot heb en heel hard meezingen met die gitaarsolo. Arm schaap, vers van het eiland af en dan al getraumatiseerd voor het leven.

Het is natuurlijk erg gezellig, en ook wel een avontuur, om zo’n sprong in het duister van dichtbij mee te maken. Het is weer een beetje als toen ik zelf weer naar Amsterdam ging, 17 jaar geleden. En mocht het allemaal goed gaan en hij over 20 jaar lekker gesettled in Amsterdam wonen en leven, dan heb ik toch maar mooi bijgedragen aan een gelukte toekomst.

Maar voor mijn gemoedsrust: mocht u nog een kamertje over hebben voor een leuke, lieve, enthousiaste jongen, liefst in Amsterdam West, dan maakt u twee mensen dolgelukkig. Of als u nog een leuk bijbaantje weet voor iemand die voorlopig alleen stamelend Nederlands spreekt maar wel vloeiend Engels, Grieks en Armeens, en die ontzettend goed kan schoonmaken, best handig is in de keuken, administratieve ervaring heeft en ook een smoeltje heeft dat het goed zou doen achter de bar, dan maakt u niet alleen hem blij, maar ook mij, zijn ouders en zijn grootouders. Dan kunnen die hun geld weer voor zichzelf gebruiken, en aangezien ze op Cyprus wonen, is dat geen slecht idee.

(Mocht u nou echt iets weten: info@chezthea.nl. Of een commentje hier.)

6 Comments