Dozen

‘You are going to Cyprus?’ he said at last, politely, but with the faintest hint of commiseration.
‘Yes. To Cyprus.’
‘To work?’
‘To work.’
It seemed immodest to add that I was intending to live in Cyprus, to buy a house if possible… After five years of Serbia I had begun to doubt whether, in wanting to live in the Mediterranean at all, I was not guilty of some fearful aberration; indeed the whole of this adventure had begun to smell of improbability. I was glad that I was touching wood.
‘It is not much of a place,’ he said.
‘So I believe.’
‘Arid and without water. The people drink to excess.’
This sounded rather better. I have always been prepared, where water was scarce, to wash in wine if necessary.

(Een gesprek op een boot van Venetië naar Cyprus, in de jaren ’50, uit ‘Bitter Lemons of Cyprus‘ van Lawrence Durrell.)

Drinken, dat kan ik tegenwoordig ook. Mijn leven is de laatste weken een straf regime van ‘een laatste keer afspreken met die-en-die’, en het is heel gek, maar daar komt op de een of andere manier steeds drank bij kijken. Dat valt waarachtig nog niet mee! Als ik niet drink met vrienden en bekenden, lees ik bovenstaand boek van Lawrence Durrell, dat komisch begint, maar eindigt met het tragische verloop van de opstand in Cyprus tegen de Britse kolonisator.

En als ik dan ook dat niet aan het doen ben, zet ik mij aan een werkje dat op het eerste gezicht een beetje vreemd kan lijken: verhuisdozen uitpakken. Ja, uitpakken. U denkt misschien dat dit niet de juiste volgorde van zaken is, maar dat lijkt maar zo.

Ik neem u even terug naar januari 2006. Op dat moment woonde ik in een grote studentenkamer in Oud-West. In januari 2006 ging ik voor minstens een half jaar naar Melbourne, en naar aanleiding daarvan pakte ik al mijn bezittingen in patatdozen die de plaatselijke snackbar voor mij had verzameld. Alles ging in een busje naar het huis van mijn ouders in Varsen, waar we alles in de schuur zetten (zie onder).

Na een half jaar kwam ik terug, en zetten we alle patatdozen weer in het busje (zie boven), terug naar Amsterdam. Dozen op een karretje, drempel over, lift in, nog een drempel over, dozen in een hoek in mijn studentenkamer. Na een maand kwam ik erachter dat ik echt te veel spullen had. Bovendien waren heel veel van die dozen nog steeds niet uitgepakt, voornamelijk boeken. Dozen weer de drempel over, lift in, nog een drempel over, in het busje, terug naar Varsen, en terug naar hun oude plekje in de schuur.

Al na een paar maanden kocht ik een huis, dat nog gebouwd moest worden, en in 2008 was dat huis eindelijk af. Nu ging het écht gebeuren: al mijn spullen weer in het busje, naar de Baarsjes, weer een lift in, over de drempel, en ik erachteraan, in het vaste voornemen nooit meer te verhuizen en alles, maar dan ook alles uit te pakken en nooit meer tegen die vermaledijde patatdozen aan te hoeven kijken.

Sindsdien keek ik af en toe met een schuin oog naar de deur van de berging. Die deur kon bij wijze van spreken nauwelijks open, want dan stortten je de patatdozen tegemoet. Allemaal spullen die het stadium uitpakken nooit hebben bereikt. Geen idee wat erin zou kunnen zitten, want mijn kledingkast hing vol met kleren, mijn boekenkast stond vol met boeken en de keuken vol met kookspullen.

En toen bleek eind januari van dit jaar dat we dit hele komische riedeltje nog een keer zouden gaan doen. Op dat moment begon deze situatie iets te krijgen van zo’n zwijgende film, waarin mensen te snel heen en weer lopen en volslagen onzinnige dingen aan het doen zijn, met een luchtig bedoeld maar in feite zenuwslopend pianomuziekje eronder. Toen besloot ik dan maar eindelijk die dozen uit te pakken, selecteren wat ik wilde bewaren en de rest weg te gooien, zoals ik al jaren lees in de rubriekjes van irritante ‘professional organizers’.

En wat zat er in die dozen? Een hele hoop rotzooi, herinneringen, oude schoolkranten waarin ik had geschreven, snoertjes van vergeten apparaten, brieven (is het echt maar tien jaar geleden dat je nog weleens een brief kreeg…?), oude agenda’s, heel erg veel halfvolle notitieblokken, telefoons, MiniDisc-spelers (o god, en ook een hele hoop MiniDiscs!), twee dozen cd’s en DVD’s die ik blijkbaar nooit had gemist, en als klap op de vuurpijl zes jaargangen OOR, die ik allemaal ooit nog eens wilde doorzoeken op mooie foto’s van Anton Corbijn, want daarom had ik die OOR’s tenslotte al die tijd bewaard.

Ik ging voortvarend aan de slag, en het resultaat was al na een weekend een lege berging, vier zakken kleding voor de kringloop, en heel veel vuilniszakken met rommel. Op vier dozen administratie en herinneringen na, bleek alles weg te kunnen.

Naast mijn bank, waar ik al zoveel luie uurtjes heb doorgebracht, staan nu nog vijf dozen. Ik ben al twee weken bezig met een sentimentele reis in het verleden. In chronologische volgorde lezen wij in de OOR hoe het gaat met de nieuwe cd van Pearl Jam, de nieuwe tour van de Stones, en ook met een hele hoop inmiddels vergeten bandjes die met veel bombarie aangekondigd werden als de nieuwe belofte uit Engeland. Bovendien lees je interviews waarin Kurt Cobain vertelt hoe blij hij is met zijn versgebakken dochter, hoe de Manic Street Preachers nog niet weten dat binnenkort hun gitarist voorgoed spoorloos zal verdwijnen, en vooral ontzettend veel stukken over de bloedmooie muziek van mensen die nu, jaren later, allemaal dood zijn. Verdronken, gestorven aan een overdosis of aan een of ander rock ‘n’ roll verschijnsel. (In het geval van Nederlandse bandjes, trouwens, zijn ze niet dood want te weinig rock ‘n’ roll, maar gewoon uit elkaar, maar voor ons muziekfans is het resultaat hetzelfde: nooit meer een nieuwe plaat van de Fatal Flowers of Darryll Ann.)

Maar het vordert gestaag. We leven inmiddels in 1995 en vier dozen muziekbladen zijn inmiddels gereduceerd tot een klein stapeltje foto’s en interviews. Nog twee te gaan, en twee dozen cd’s en dvd’s, en die beruchte doos met snoertjes.

Binnenkort gaan we weer. Alles terug in die patatdozen, drempel over, op het trouwe karretje, in de bus, naar Varsen. Daar gaat alles op de vliering. Ik zie mijn vader al zijn wijze oude hoofd schudden, terwijl wij voor de vijfde keer dezelfde spullen verslepen van A naar B. Ach, het houdt ons jong.

P.s. Het is wat hè, met die actualiteit. Al die politici stappen maar op, en als ze niet opstappen, bijvoorbeeld omdat ze al dood zijn, worden ze uit hun graf gelicht om losgeld. Heerlijk eiland, dat Cyprus!