Terug

Ergens in oktober was ik in het noorden van Cyprus, samen met een Armeens-Cyprioot en de enige Turks-Cyprioot die we hebben in ons instituut. In mijn geliefde rode vierkante autootje zat een gezelschap waar de VN en de EU elk jaar miljoenen voor over hebben. Een Turks-Cyprioot uit het noorden en iemand uit het zuiden – een Armeense nog wel – samen op een lang weekend naar het bezette deel. Vrijwillig, voor de lol. Een waar bi-communaal project, maar dan gratis. Hoera!

Roadtrip!

We brachten twee dagen door op ‘Golden Beach’, een prachtig strand, met een kampeerterrein in de heuvels waar je in houten barakken kunt slapen. De eigenaar heet Hasan. Hasan is een bijzonder mens. Hij is geboren uit een huwelijk met een cynische achtergrond: toen zijn moeder jong was, waren Turks-Cyprioten in de Karpas zo arm dat families hun dochters letterlijk verkochten aan Arabieren op het vasteland. Zo ook Hasans moeder. Zie hier de basis voor een gelukkig huwelijk en een stralende jeugd voor de aldus geproduceerde kinderen.

Hasan wijdt er niet al te zeer over uit. Hij is blij dat hij in Cyprus, op het land van zijn moeders familie, een camping heeft. Hij heeft een kok, die alleen maar (en veel) Turks spreekt en die mij elke avond hielp met het aan mootjes hakken van mijn collega’s bij het backgammonnen, en een geit. De geit is beste vriendjes met een nest kittens, dat vrolijk over zijn hoeven buitelt en achter zijn staart aan rent. Op zaterdag, met een biertje in de zon, bekeken wij dat tafereeltje met Hasan, die de tijd had omdat wij de enige gasten waren. (Het was immers winter…) Hasan keek ons diepzinnig aan het vroeg retorisch: ‘Kijk nou. Als een geit en een kat, zulke verschillende dieren, elkaar nog kunnen begrijpen, waarom lukt het mensen dan niet?’ Wij knikten na deze wijze woorden even diepzinnig en lieten een filosofische stilte vallen.

Nadat wij zo een paar uur met Hasan aan de boemel hadden gezeten in die absurd mooie omgeving, zei mijn collega: ‘Deze hier gaat binnenkort weg uit Cyprus.’ Ze wees naar mij. ‘Voor hoe lang?’ vroeg Hasan. ‘Voorgoed!’ riep mijn collega dramatisch. Hasan keek daadwerkelijk verbijsterd. ‘Echt?’ Ik knikte. ‘Maar waarom? Waarom zou je hier nou weggaan?’ Hij zwaaide met zijn arm naar de omgeving. Goede vraag. ‘Ik weet niet,’ zei ik naar waarheid. ‘Ik vind mijn werk niet meer uitdagend…’ Het klonk absurd, en dat vond Hasan ook. Hij mopperde dat mensen tegenwoordig niet meer weten wat belangrijk is in het leven, dat ze allemaal maar voor geld en carrières veel te hard werken in stomme kantoren en ondertussen gaat de wereld naar de knoppen enz. enz. enz.

Tja. Als drie uur rijden van je huis het paradijs op aarde ligt, is het even lastig te bedenken waarom je ook alweer zo nodig weg wilde. En je geeft Hasan gelijk: een baan is maar een baan, wat een onzin eigenlijk, ik ga gewoon niet. Zo, dat is dan geregeld. We nemen nog een biertje.

Gelukkig moet ik na zo’n weekend vanzelf weer naar mijn werk, en dan is het weer duidelijk. Het is er gezellig, maar de uitdaging is er volledig uit. De database staat, is ingericht, men werkt ermee en is er blij mee (altijd tot op zekere hoogte natuurlijk, het blijft tenslotte een IT-systeem) en het verhaaltje is wel zo’n beetje uit. Echte grotere ambities zullen er nooit zijn. Waardoor mijn baan een gezellig roeiboottochtje werd op een kabbelend beekje. Afgewisseld met af en toe een Cypriotisch drama in 13 delen dat misschien wel amusant is, maar waardoor het werken er niet makkelijker van wordt.

Wat nu? Nou, solliciteren! In Nederland. Ik heb geluk dat weinig mensen doen wat ik doe. En nog meer geluk dat er een vacature ontstond bij de Universiteit Utrecht waarvan ik – zeker in deze tijden – alleen maar durfde te dromen. Het wordt hopelijk geen wildwater rafting, maar wat meer stuurkunst dan mijn huidige baan is er wel bij nodig. Lekker.

Morgenochtend vroeg ga ik. Het feit dat ik op de dag voor vertrek tijd heb om gezellig tegen u aan te babbelen, zal wel betekenen dat ik de boek op orde heb, en niet dat ik alles ben vergeten. Heb ik er zin in? Nee. De zon schijnt, mijn terrasdeuren staan open, de poes ligt nog nietsvermoedend in het dekbed gerold, buiten zijn bouwvakkers aan het werk die elke ochtend in zwaar Cypriotisch tegen elkaar schreeuwen en om mij heen ligt die gekke stad die Nicosia heet, gehavend en prachtig en getraumatiseerd en gehaast en stoffig en oud. Je moet gek zijn om hier weg te willen, maar je moet ook heel veel opgeven om hier te willen blijven. Je moet verstoffen en verstenen, samen met de stad zelf, klagend over de politiek en de prijsstijgingen, tot je vergeten bent dat er ergens ook een wereld is waar andere dingen bestaan. Het regent er weliswaar, maar je hoort er wel thuis.

Mijn uitzicht op dit moment.

Dus. Daar gaan we weer. Inpakken, telefoon en bankrekening afsluiten, en verhuizen. Alles wat ik mee wil nemen – veertien dozen vol souvenirs – is op dit moment onderweg per schip en vrachtwagen, heel Europa door. De rest is verkocht. Dozen vol spullen die op de zolder van mijn ouders staan, gaan daar weer af, naar Amsterdam, drempel over, lift in, lift uit, drempel over, naar mijn appartement in De Baarsjes. Precies zoals nog geen vier jaar geleden, toen ik er kwam wonen. En bijna twee jaar geleden, toen ik er weer wegging. Als u dit blog van het begin af aan gevolgd hebt, heeft u nu al medelijden met mijn vader.

1 Comment

One Comment

  1. Arme pa. Ik heb er ook zoeen, met nog altijd dozen op zolder.