Blogmarathon (2): Pjotr

Dit is aflevering 2 van de blogmarathon voor het Rode Kruis. Ook meedoen? Doneer minstens 10 euro en kies het onderwerp van een blogpost. Alles mag, als het maar geld oplevert. Lees meer in de introductie over hoe het werkt. De stand: 110 euro! We gaan goed, maar er kan nog meer bij.

Een goede (en gulle!) vriendin vroeg een blog over ‘vriendschap’ voor 35 euro. Ik wil natuurlijk allereerst benadrukken dat echte vriendschap zich niet in geld laat uitdrukken, normaal gesproken. Maar nu even wel. Als u mij als een vriendin beschouwt, dan verwacht ik dat u nu grijpt naar uw internetbankieren en een bedrag doneert op rekeningnummer NL85 INGB 0686283384, vergezeld van een onderwerp. Dat doen vrienden voor elkaar. Ik zou bijna zeggen: hoe meer u van mij houdt, hoe hoger het bedrag dat ik op die rekening verwacht aan te treffen.

Als u eigenlijk best wel een hekel aan mij hebt, dan doet u een onderwerp waar in het geheel niets over te vertellen is. Fruitvliegjes. Het begrotingsbeleid van de gemeente Haarlemmermeer. Of misschien juist een onderwerp waarvan u weet dat ik er dagenlang over door kan ratelen, stomend uit de oren, nachten doorhalend, omdat de rest van de wereld er Niets Van Begrijpt. In beide gevallen hebben wij allebei ons doel bereikt, en daar gaat het allemaal om.

Op het onderwerp ‘vriendschap’ heb ik lang zitten kauwen, want ik ben zo’n type dat het liefst alles ongezegd laat in een goede vriendschap. Als een vriendin snotterend aan mijn eettafel zit dat haar ex-vriendje zo’n lamlul is, heb ik weleens de neiging om mijn vriendschap en steun uit te drukken in de dieppsychologische vraag: ‘borrel dan maar?’ Niet dat ik niet meeleef. Integendeel. Ik ben alleen wat sociaal gemankeerd, af en toe.

Dit is een blog in drie delen. Ik zal er meteen de moraal van het verhaal bij doen. Het gaat om drie vrienden die bewijzen dat de wereld klein is. Te klein om een conflict te beschouwen als een ver-van-mijn-bed-show. Deel 1: Pjotr.

In 2010 en 2011 werkte ik in Cyprus voor een internationaal instituut. Een klein instituut vol wetenschappers uit alle werelddelen, dat staat garant voor een hoop kleurrijke types. Een daarvan was was een jongen die mijn vaste duikbuddy werd, en mij na een tijdje ook alleen maar “hey buddy!” noemde en mijn echte naam weigerde uit te spreken. We zullen hem Pjotr noemen. Soms was hij zo excentriek dat hij niet helemaal in orde leek. Als je vroeg hoe het met hem ging, zei hij op steeds dezelfde toon in zijn komische accent: “Extremely fine!” Hij kon alleen maar praten over zijn werk (computermodellen programmeren), wielrennen en duiken, en obscure historische feitjes. De eerste keer dat ik hem ontmoette (achterin een auto onderweg naar een duikplek) trakteerde hij mij op een college over de familie Van Oranje Nassau die misschien tot de dag van vandaag was blijven duren als niet iemand voorin had ingegrepen met een ferm: “Pjotr, we zijn er! En Thea is al in slaap gevallen.”

Pjotr en ik werden min of meer vrienden. Min of meer, in de zin dat ik hem zoveel mogelijk afhield van het onderwerp wielrennen, en zoveel mogelijk met hem ging duiken. Hij kon altijd, want verder had hij geen vrienden. Hij had een feilloos richtinggevoel, en dat kwam heel goed uit want ik verdwaal nog in een vijver als ik eenmaal onder water ben. Hij was ook erg sterk, en was van het ouderwetse galante soort, en dat kwam ook weer heel goed uit, bijvoorbeeld als ik in de brandende hitte was uitgegleden op een rots met mijn topzware duik-uitrusting en als een schildpad met mijn achterpootjes in de lucht, spartelend om hulp riep.

Ooit raakten we na een duik in de problemen. Een voorbijvarend militair schip maakte zoveel golven dat we dreigden verpletterd te worden tegen de rotsen. Met ‘we’ bedoel ik eigenlijk ‘ik’. Pjotr stond al op een plateau op de rotsen, en was net bezig mij aan de kant te helpen, toen ik door de golven eerst ruw op dat plateau werd gesmeten – ik dacht nog: “hee, dat is handig!” – en vervolgens net zo makkelijk weer werd teruggesleurd. Ik verdween, zei hij later, spoorloos in een kolkende zee vol wit schuim. Ik had mijn adem-automaat nog in en meer dan genoeg lucht in mijn vest, dus er kon mij weinig gebeuren – tenminste, dat hield ik mijzelf voor terwijl ik even niet wist wat boven of onder was. Ik kwam inderdaad vanzelf weer bovendrijven en kwam er met een paar schrammetjes vanaf. Dat weerhield hem er niet van om de volgende dag op het werk droog te verkondigen: ‘We zijn dit weekend bijna vermoord door de marine!’ (Iemand vroeg cynisch: ‘welke marine? De Cypriotische of de Turkse? De Griekse? Die van de VN? De Britten?’)

Pjotr was niet helemaal van deze wereld, maar niets menselijks was hem vreemd, zo bleek: hij was verliefd op een collega. Tragischerwijs was die collega in het diepste geheim lesbisch, en bovendien mijn vriendinnetje. Pjotr negeerde al haar nerveuze uitvluchten en trok maandenlang, terwijl ik mijn kaken stijf op elkaar hield en spijtig toekeek, alles uit de kast om haar te veroveren. Ik denk niet dat hij ooit heeft doorgehad waarom hij zoveel rondjes van me kreeg als we met z’n drieën wat gingen drinken. (Hij dronk alleen thee).

Pjotr had een grondige hekel aan zijn geboorteland. Hij had ook een grondige hekel aan zijn etnische afkomst. Hij wilde er verder niet over praten en zei alleen maar: “It’s complicated.” Het enige dat hij er ooit over zei, was dat de autoriteiten zijn voornaam op wel drie verschillende manieren spelden op verschillende documenten. Hoe dit allemaal in elkaar stak en waarom hij het er niet over wilde hebben, wist ik nog niet, maar die autoriteiten waren Oekraïens en zijn etnische afkomst Russisch, en inmiddels weten we allemaal, beter dan ons lief is, hoe dat in elkaar steekt.

Op een zekere dag ging Pjotr een paar weken terug naar Oekraïne, en kwam getrouwd terug, ik vermoed met iemand die zijn ouders voor hem uitzochten. Hij werkt tegenwoordig bij een vooraanstaande universiteit. De laatste keer dat ik hem sprak via chat, vertelde hij dat zijn schoonouders de stad waar ze woonden, verlaten hebben en niet weten of ze ooit nog terug kunnen.

Morgen: mijn hoog oplopende ruzie in een Amsterdams café met een Israëlische collega.

Opgebracht: 35 euro! Dank je wel, Angela!