Blogmarathon (3) Ben

Dit is aflevering 3 van de blogmarathon voor het Rode Kruis. Ook meedoen? Doneer minstens 10 euro en kies het onderwerp van een blogpost. Alles mag, als het maar geld oplevert. Lees meer in de introductie over hoe het werkt. De stand: 110 euro! We gaan goed, maar er kan nog meer bij.

Een goede vriendin doneerde 35 euro voor een blogpost over vrienden. Vorige keer deel 1 daarvan, over Pjotr uit Oekraïne, en vandaag deel 2, over Ben uit Israël. Ik heb weken over dit stukje gedaan, omdat ik het al aangekondigd had, maar er niet uitkwam. Het is namelijk niet grappig. En ik wil altijd dat alles grappig is. Dus als je deze blogposts graag leest omdat je er altijd zo om kan lachen: vandaag heb je pech. Sorry. Het moet maar gewoon zoals het is. Een onbedoeld neveneffect van deze marathon, zullen we maar zeggen. (Waarover later trouwens meer, over die neveneffecten.)

Soms heb je collega’s die je op het werk wel achter het behang kan plakken, maar privé enorm goed trekt. Zo iemand was Ben. Hij kwam oorspronkelijk uit Oost-Europa, verhuisde als kind naar Israël en was alweer een paar jaar in Cyprus. Hij vond altijd dat alles verkeerd ging in ons instituut, voornamelijk omdat niemand naar hem luisterde, hij wist alles altijd beter, en ergerde alle leidinggevenden tot ze hem allemaal wel iets aan konden doen. Als hij me belde op het werk, wilde ik acuut naar de WC. Soms liet ik mijn collega opnemen die dan zei dat ik op de WC zat. Als ik hém belde, vond hij dat mijn vraag eigenlijk voor iemand anders bedoeld was, want hij was te belangrijk om lastig te vallen met zulke kwesties. Hij was Een Wetenschapper en wenste zijn tijd alleen te wijden aan De Wetenschap. En toch was hij ontzettend leuk om mee om te gaan, zolang je net deed alsof dat instituut waar hij de hele dag over kankerde, iets was waar je zelf niet werkte, maar weleens vaag van had gehoord. Af en toe instemmend knikken hielp ook, en veel drinken. Dat was het voornaamste wat wij gemeen hadden.

Het leukste vond ik zijn foute grappen. Alles moest eraan geloven. Over vrouwen zei hij ooit: “I never trust anything that bleeds for days and doesn’t die” en dan lag ik gierend aan de lunchtafel, terwijl we omringd werden door ongemakkelijke Cyprioten. (Het bleek een quote uit South Park.)

Toen ik alweer in Amsterdam woonde, kwam hij een keer langs, omdat hij een conferentie had. Ik bood aan hem de Portugese Synagoge te laten zien en uiteindelijk belandden we in een ouderwetse Amsterdamse kroeg, waar ik hem, zoals het een goede gastvrouw betaamt, kennis liet maken met het verschijnsel ‘jonge jenever’. Na een paar van die borrels probeerde ik me alle Jiddische woorden te herinneren die ik kende in het plat Amsterdams, wat blijkbaar ontzettend grappig was. Vervolgens kwam het tot een grondig vergelijkend warenonderzoek naar het verschil tussen oude en jonge jenever, en toen ging het verkeerd.

Wij belandden in een discussie over de Joods-Palestijnse kwestie. In al die tijd dat wij elkaar hadden gekend in Cyprus was het hele onderwerp nog nooit ter sprake gekomen. Ik nam gewoon aan dat hij, een intelligent en gestudeerd mens, lang in allerlei buitenlanden gewerkt, nooit achter de politiek van Israël zou kunnen staan. Hele Amnesty-rapporten vol had ik gelezen over de smerige praktijken van Israël, in tijden van oorlog, maar ook daarbuiten. Mensen die daar achter staan, die ken ik toch zeker niet? Dat kon hij toch niet verdedigen? Blijkbaar kon hij dat wel. Hij verdedigde elke actie van Israël met de argumenten die we al kennen van de Israëlische politici. (Ja maar die Palestijnen zijn ook geen lieverdjes / wij zijn omringd door moslims dus we moeten wel / jij woont in vrede dus je begrijpt het niet) Dronken en bijna schreeuwend gingen wij beiden tekeer, tot hij eindelijk verslagen zei: ‘Ik snap het niet. Jij bent toch slim. Je bent aardig. Hoe kun je dan zo tegen het Joodse volk zijn?’

Stilte. Ik was met stomheid geslagen. Hij meende het echt. Ik had moeten tegenwerpen: ‘Jij bent nog veel slimmer dan ik, je bent een wetenschapper, je weet enorm veel van de geschiedenis. Hoe kun je dan kritiek op Israël gelijkstellen aan afkeer van alle joden?’ Maar het valt niet mee om na een volle dag vol bezienswaardigheden en met iets te veel drank in je systeem beschuldigd te worden van antisemitisme door iemand die je als een vriend beschouwt, dus ik kon niet heel veel anders zeggen dan ‘Ik heb helemaal niks tegen het Joodse volk…’. Ik mompelde ook nog iets van ‘Als jij en ik tijdens de Tweede Wereldoorlog hadden geleefd, waren we er allebei aangegaan’, maar hij vond het van hem toch erger. De redenering kan ik me niet precies meer herinneren. Wel dat ik beledigd was. Toen waren we uitgepraat. We namen nog een laatste, en toen bracht ik hem naar zijn hotel.

Die vriendschap heeft nooit echt geleden onder dit incident, misschien doordat we nu ook weer niet zo close waren. Dat veranderde tijdens de nieuwste oorlog in Gaza. Toen begon hij op Facebook dingen door te sturen die door het Israëlische leger werden gepost en neerkwamen op redeneringen als: ‘Er zijn zo veel doden in Gaza omdat Palestijnen niet van hun kinderen houden’.

Hij verdedigde de verschrikkelijkste dingen met steeds hetzelfde argument: en Hamas dan? Waarom heeft iedereen alleen kritiek op ons? En met als onderliggende gedachte het slachtofferschap van het gehele jodendom. Ik kon me dan natuurlijk niet inhouden en er volgden felle debatten waar al onze Facebookvrienden van konden meegenieten. Uiteindelijk moesten we onszelf er dan aan herinneren dat we elkaar echt aardig vonden, normaal gesproken, en dan ging het wel weer. Maar boos bleven we.

Tot ik hem een keer vroeg: dus jij vindt die bombardementen een goed idee? En toen liep hij alsnog leeg over de dingen die Israël in zijn ogen verkeerd doet. Nee, die bommen waren verschrikkelijk, en ja die settlers in de bezette gebieden waren ook verschrikkelijke extremisten die vrede in de weg stonden en het was ook een probleem dat Israël nou eenmaal gebouwd was op land dat van iemand anders was geweest. Maar waar moesten ze dan heen?

Toen snapte ik het helemaal niet meer. Waarom verdedigde hij al die acties waar hij het zelf niet mee eens was? Ik moet het hem ooit nog eens vragen, als ik weer in Nicosia ben, maar ik vermoed: omdat de staat Israël zo’n veilige haven is voor veel mensen, dat die niet in de kern bekritiseerd kan worden.

Het doet me een beetje denken aan dat cliché van de Italiaanse man: wordt zelf doodmoe van z’n moeder, maar één verkeerd woord van jou over zijn Mama en je kunt een rechtse hoek krijgen. Ook als je gelijk hebt.

Wat we ermee opschieten, weet ik ook niet, maar sinds ik weet dat het verwijt waar ik vroeger zo van overkookte, het aloude “wie tegen de politiek van Israël is, is een antisemiet”, blijkbaar door veel Israëliërs echt geloofd wordt, bekijk ik sommige dingen wat anders. Een foto van een demonstratie tegen de bombardementen in Israël in Chicago van afgelopen zomer vond ik indrukwekkend. Een enorme massa, allemaal opkomend voor het Palestijnse volk. Mijn oud-collega ziet een enorme mensenmassa die zijn vaderland van de kaart wil vegen.

Dat is dom van hem, dat is vreselijke staatspropaganda die zich in zijn brein heeft genesteld, dat is enorm kwetsend tegenover mensen die slechts uit rechtvaardigheidsgevoel de straat op gaan, en het is bovendien slachtoffergedrag dat de vrede in het Midden-Oosten niet dichterbij brengt. Maar – en dat is nog het ergste: hij gelooft het echt.